Maandag 11 december werd het op voorhand al omstreden Meerjarenperspectief van de letterenfaculteit bekend gemaakt. Het is het gesprek van de dag in het Erasmusgebouw. Vooral de voorgenomen sluiting van Arabisch doet veel stof opwaaien.

Slapeloze nachten heeft letterendecaan Paul Sars ervan gehad, geeft hij de dag na de openbare bekendmaking van zijn Meerjarenperspectief ruiterlijk toe. Het is dan ook niet niks, de plannen die de decaan heeft met zijn faculteit. De opheffing van Arabisch is de meest in het oog springende maatregel. De opleiding zal in 2013 moeten sluiten. Reden: te weinig studenten. De beslissing kwam voor hoogleraar en afdelingsvoorzitter Kees Versteegh niet als een donderslag bij heldere hemel. “Twee maanden geleden kwam de decaan al bij me met het verhaal dat het College van Bestuur belang hecht aan het criterium van minimaal twintig studenten. Kortom: we zijn te klein, we zijn te duur, het kost geld.” Versteegh heeft er naar eigen zeggen alles aan gedaan om het tij te keren: “We doen mee aan alle voorlichtingsactiviteiten, hebben een uitstekende website voor scholieren en draaien projecten op gymnasia. We hebben intussen meer studenten dan acht, negen jaar geleden, maar het zijn er gewoon niet genoeg.” Maar dat zijn afdeling om die reden dichtmoet, gaat er bij Versteegh niet in. “Onbegrijpelijk”, noemt hij het besluit. En doodzonde. “We doen het gewoon heel goed, zowel op het gebied van onderwijs als op onderzoek. We hebben uitstekende visitaties. Een van onze onderzoekers heeft vorig jaar nog een Arabisch woordenboek geschreven waar collega’s uit het buitenland jaloers naar kijken. Al die kennis gaat straks verloren.” Olivier Hekster, hoogleraar oude geschiedenis, noemt de sluiting “financieel begrijpelijk, maar dramatisch”: “Ik hecht heel sterk aan een brede faculteit. Ik hoop en verwacht dat de expertise straks elders wordt ingezet.”
“Er is natuurlijk sprake van kapitaalvernietiging”, geeft de decaan Sars toe. “Arabisch is een oude, eerbiedwaardige studie. Ik ken die mensen al heel lang, het is een goed gevisiteerde opleiding.” Maar, stelt de decaan, er moeten nu eenmaal keuzes worden gemaakt. Bovendien hoeft de expertise niet per se weg te vallen: een deel van de opleiding en onderzoek zou ondergebracht kunnen worden bij sociale wetenschappen of de nieuwe Faculteit der Religiewetenschappen. Voor taalverwerving zou UTN zorg kunnen dragen.
Volgens Versteegh is dat wel een erg optimistische gedachte. “Je kunt de taal niet loskoppelen van de rest. Je kunt niet zeggen: we gaan er een islamstudie van maken en zetten dat neer bij religiewetenschappen. Voor de studie van de islam is kennis van Arabisch onmisbaar. Alleen dan kun je de bronnen lezen.” Sars erkent dat het stopzettten van een opleiding problemen kan opleveren voor de studenten. Zo is er de kans dat medewerkers elders een nieuwe werkplek vinden en – terecht – hun kans schoon zien. Maar, benadrukt hij, de huidige studenten en promovendi krijgen de garantie dat ze hun studie en onderzoek af kunnen maken. “In 2013 is Arabisch verleden tijd aan de Radboud Universiteit. Ik verwacht, de tegen die tijd gepensioneerden in aanmerking genomen, dat we nog zes personen zullen gaan begeleiden naar een nieuwe baan.” Versteegh reageert met een zucht: “We maken de lopende zaken natuurlijk af. Maar de afdeling zal langzaam doodbloeden. En dat doet pijn.”
Een achterblijvende studenteninstroom is niet per definitie reden tot opdoeken: in tegenstelling tot Arabisch mag Griekse en Latijnse taal en cultuur blijven bestaan. Reden is de grote verwevenheid van Grieks en Latijn met andere opleidingen binnen de faculteit en het belang ervan voor de zusterfaculteiten Theologie en Filosofie. Verdwijnen zal deze opleiding dus niet, maar er zal wel gekort worden op de leerstoelen en afstudeerrichtingen. ‘Concentreren’ is het toverwoord. Paul Sars: “Wij zien een kans in de concentratie van klassieke archeologie op Nijmegen. Archeologische vondsten moeten niet alleen uitgegraven worden, maar ook uitgewerkt en daarvoor creëren we nu de gelegenheid. Er is behoefte aan het verleggen van de focus naar Nijmegen.” Sars begrijpt de onrust die ontstaat op de afdeling, maar benadrukt dat er hier geen arbeidsplaatsen in het geding zijn.

Naast deze maatregelen gaat in het Meerjarenperspectief ook het studieadvies op de schop. Nu heeft elke opleiding nog z’n eigen studieadviseur, straks niet meer. In plaats daarvan komt er een team van ‘professionals’. “Wij denken dat het mogelijk is om de kwaliteit van studieadvies te verbeteren door verdere professionalisering,” verklaart Sars. “Tachtig procent van de door studenten gestelde vragen zijn standaardvragen.”
Riemer Frielink, studieadviseur bij bedrijfscommunicatie, is afwachtend in zijn oordeel over het plan. “Ik ben er niet per definitie tegen. Voor mij zal er niet veel veranderen, ik ben nu al fulltime studieadviseur. Maar Letteren heeft veel kleine opleidingen, waar het studieadviseurschap een relatief kleine taak is waar ook weinig tijd voor gegeven wordt. Het idee is om meerdere opleidingen onder te brengen bij één professionele studieadviseur. Van de huidige studieadviseurs zullen er maar weinig overblijven. De studieadviseurs die straks meerdere opleidingen onder hun hoede krijgen, kunnen rekenen op taakverzwaring. Je zult je moeten verdiepen in opleidingen die je niet kent. Letteren is een gefragmenteerde faculteit, met veel verschillende, kleine studies. Maar ik ga er vanuit dat die studieadviseurs daar goed in opgeleid en begeleid zullen worden.” Olivier Hekster is minder positief en ziet het als een problematisch besluit: “Wij krijgen bij geschiedenis bij iedere visitatie expliciete complimenten voor onze studieadvisering. Dat moet je niet loshalen van de werkvloer.”

Tot slot zal ook bij geschiedenis een en ander omgegooid worden. De verhoudingen tussen leerstoelen en leeropdrachten zullen, wat Paul Sars betreft, flink veranderen. Het aantal is te groot en de inrichting te divers, vindt hij. “Wij zeggen: bezie of er aparte mastervarianten ontwikkeld kunnen worden, laten we ons richten op de versterking van de samenhang van de thema’s in de opleidingen.” Dat impliceert het vervallen van leerstoelen en/of vervanging van leeropdrachten op docentniveau. Er wordt, volgens Jasper Loots, opleidingscoördinator bij geschiedenis, al langer gewerkt aan het ontwikkelen van masters die niet vast zitten aan leeropdrachten. “In het Meerjarenperspectief staat dat de opleiding geschiedenis haar onderwijs meer moet profileren. Daar zijn we al lang hard mee bezig. We willen niet meer zo strak vasthouden aan die leerstoeltrajecten en ook los daarvan masteropleidingen aanbieden. Er is zo veel expertise bij politieke geschiedenis en het Centrum voor Parlementaire Geschiedenis dat we ook los van de leerstoel een domein Politiek en Parlement willen aanbieden. Dat domein moet wat meer beroepsgericht worden, waarin studenten door middel van bijvoorbeeld stages leren netwerken. Dat plan was er al jaren, maar het was moeilijk om met die profilering te komen. Het Meerjarenperspectief onderstreept eigenlijk alleen waar wij al jaren mee bezig zijn. Het bestuur wil meer vaart, maar ik vind dat die er al in zit. Het is geen bezuiniging voor geschiedenis, maar een rationalisatie. Voor mij is dat geen probleem, maar voor de hoogleraren ligt het gevoeliger: het is natuurlijk niet prettig dat de kans bestaat dat je leerstoel niet voortgezet wordt.”

Reacties:

Jos Joosten, hoogleraar Nederlandse letterkunde:
“Wat mij steeds duidelijker wordt, is dat Letteren landelijk in een onduidelijke hoek zit. Een hoek waar het grote geld niet naar toe gaat. Als mijn collega aan de overkant van de Heyendaalseweg een sterrenkijker uit z’n handen laat vallen, gaat daar net zo veel geld mee gepaard als het opdoeken van een hele opleiding bij Letteren oplevert. Wij hebben geen dure apparaten en we hebben geen massa’s dure proefpersonen nodig. Dus zodra je hier bezuinigt, bezuinig je meteen op mensen. Wij staan niet zo sterk ten opzichte van de exacte wetenschappen.”

Luuk de Blois, hoogleraar oude geschiedenis:
“Er worden duidelijk keuzes gemaakt en dat is beter dan voor de zoveelste keer de kaasschaaf hanteren. Het is door alle bezuinigingen van de afgelopen jaren bijna onmogelijk geworden om te schaven; dan krijg je echt fricties. Bovendien is het een intelligent geschreven stuk, er staan goede dingen in. Als faculteit moeten we keuzes maken, dat is een verdedigbaar standpunt. Maar het feit dat Arabisch moet stoppen, dat is een afschuwelijke consequentie. Er valt daarmee enorm veel expertise weg. Heel jammer.”

John Nawas, hoogleraar Arabistiek en Islamkunde aan de Katholieke Universiteit Leuven, hoofdredacteur van de Encyclopaedia of Islam en redacteur Encyclopaedia of the Qur’an, promoveerde aan de Nijmeegse letterenfaculteit:
“Kies je voor cijfers of kies je voor inhoud? Ik vind het erg jammer voor de Nijmeegse letterenfaculteit dat de enige niet-westerse taal en cultuurstudie afgestoten wordt. Je kunt alleen de eigen westerse cultuur bestuderen door in de spiegel van een niet-westerse cultuur te kijken. Arabische taal en cultuur is natuurlijk een dure studie, maar ook onmisbaar bij het bestuderen van de eigen taal en cultuur. In Leuven noemen wij dit een orchideeënstudie, het wordt hier gekoesterd. Men realiseert zich dat, zeker in deze tijd van globalisering, de aandacht moet uitgaan naar de niet-westerse wereld. Het stopzetten van de studie Arabisch gaat lijnrecht in tegen de trend van de wereld. De Faculteit der Letteren in Nijmegen is vanaf nu de Faculteit der Westerse Letteren.
De Radboud Universiteit gaat steeds meer de richting van een ‘red brick’ universiteit op, waar toepasbaarheid en maatschappelijke relevantie allesbepalend is. Wil de RU een universiteit of een hogeschool zijn? Je studeert wat de moeite van het studeren waard is, en dat wordt met zulk soort maatregelen onmogelijk gemaakt.”

Jasper Loots, opleidingscoördinator geschiedenis:
“Ik steun Paul Sars in zijn keuze voor ingrijpen in plaats van schaven. De kaasschaafmethode is geen oplossing tot in het eindige. Maar het is ongelooflijk treurig dat Arabisch verdwijnt. Ik vind eigenlijk dat er geld gevonden moet worden om de opleiding overeind te houden, als men het tenminste écht zo belangrijk vindt dat Arabisch blijft bestaan Het is treurig dat het altijd dezelfde opleidingen zijn die in de gevarenzone zitten. Het is een vicieuze cirkel: niemand wil schaven en niemand wil dat opleidingen sneuvelen. Daarmee geef je in feite te kennen dat je niet in de schoenen van het faculteitsbestuur wilt staan.
Een ruilhandel met bijvoorbeeld de UvA is al eens eerder ter sprake gekomen: Duits komt naar Nijmegen, logisch, wij zitten op de grens, en Arabisch gaat naar Amsterdam. Dat bleek helaas geen optie. Toch heeft het wat mij betreft de voorkeur om kapitaal niet te vernietigen maar te herverdelen. Stukken beter voor de Nederlandse student.”