De Soedanese Kon Kelei (24) werd als vierjarige jongen door zijn ouders meegestuurd met het Sudan’s People Liberation Army (SPLA). In 2000 kwam Kon als illegale bootvluchteling aan in Rotterdam. Sinds dit jaar studeert hij rechten aan de Radboud Universiteit. Dinsdag 10 april gaf hij een persconferentie voor War Child’s kindsoldatencampagne.

7 uit 52
Een student of medewerker in het nieuws trekt zeven kaarten uit een set van 52, met vragen over leven en universiteit. Rechtenstudent en voormalig kindsoldaat Kon Kelei trok de nummers 1, 3, 4, 7, 8, 12 en 17.

1. Zou je een tijd in het buitenland willen wonen?
“Ja, ik wil terug naar Soedan om orde op zaken te stellen. Als dat lukt, blijf ik voor altijd. Zo niet, dan kom ik terug.”
Hoe ga je dat doen?
“Ik wil bijdragen aan de wederopbouw. Alles wordt geregeld aan de top. De mensen beneden, in de dorpen en de jungle, worden vergeten. Ik wil ze ervan bewust maken dat ze zélf zaken kunnen regelen. Klinkt idealistisch, maar het kan: beetje bij beetje en door zelf het goede voorbeeld te geven. Onderwijs is daarbij erg belangrijk. Momenteel is slechts 4 procent van de zuidelijke bevolking geletterd. Daarom heb ik met andere Soedanese vluchtelingen een eigen stichting opgericht om scholen te bouwen: de Cuey Machar Secondary School Foundation (CMSF). Als ik straks terugga en tegen kindsoldaten zeg: ‘Je moet hiermee stoppen’, vragen zij: ‘Wat moeten we dan doen?’ ‘Naar school’, zeg ik dan. ‘Welke school?’ En dan wijs ik naar de school die ik met CMSF zal bouwen.”

3. Wie denkt Kon Kelei wel dat hij is, dat hij dit kan doen?
“Alle ellende en grofheid die ik heb meegemaakt hebben me uiteindelijk gebracht waar ik nu ben. Toen ik ongeveer vier jaar was stuurden mijn ouders me mee met Sudan’s People Liberation Army (SPLA). Hen werd verteld dat ik onderwijs en bescherming zou krijgen. Hoewel ze ook wel vermoedden dat de werkelijkheid zwaarder was dan dat. Mijn vader zei: ‘Kon, wees moedig en zelfstandig’. Mijn moeder zei: ‘Wees vriendelijk’. Daar heb ik me aan gehouden.”

Hoe was het om bij de SPLA te leven?
“We liepen vijftien dagen van mijn geboortedorp Adol in het zuiden van Soedan naar het kamp in Ethiopië. Het ‘kamp’ bleek een kale plek. Er waren geen huizen, het was gewoon bos. De grotere jongens – niet ouder dan een jaar of twaalf – hadden de leiding. Er waren ook volwassenen om de orde te handhaven. We moesten huizen bouwen, eerst voor de vrouwen van de leiders, daarna voor onszelf – op een lege maag. We aten bladeren en vruchten van de bomen, omdat er te weinig voedsel was. ’s Ochtends bij zonsopgang werd ons verteld waar het huis moest komen en ’s middags om drie uur stond het er. Het was zwaar. Er braken ziektes uit en kinderen werden gek van heimwee en gingen dood. Wij begroeven ze. We wisten nog niet eens wat de dood was.”

Moest je vechten?
“Er waren regelmatig selecties. Jongens van veertien, vijftien jaar die er sterk uitzagen werden naar het noorden gestuurd. Ik heb drie keer geprobeerd mee te gaan, maar was te jong. Je moet trouwens wel begrijpen dat die SPLA-jongens geen boeven zijn. Als je mijn vriend wil zijn, noem de bevrijdingslegers dan ook geen rebellen. Ik ben geen rebel. Dat is iemand die alleen voor zichzelf en het geld vecht. De SPLA wil democratie en rechtvaardigheid voor heel Soedan. Het is fout om kleine kinderen mee te nemen, maar ze hadden geen keus. Er waren te weinig mannen. Bovendien overvielen regeringstroepen de dorpen in Zuid-Soedan, vlak nadat wij waren vertrokken. Ik ben liever een slaaf in Zuid-Soedan dan een slaaf bij de noordelijke Arabieren.”

4. Wie moet deze universiteit zo snel mogelijk verlaten?
“Ik. Ik denk elke dag aan Soedan, maar mijn studie houdt me hier. Het zuiden, waar ik vandaan kom, is redelijk veilig. Het wordt niet meer gebombardeerd, er wordt niet meer hevig gevochten. Het leger en de regering strijden onderling nog wel. Er is een vredesakkoord getekend, maar niemand is daarmee echt tevreden. De regering in Khartoem steunt daarom onafhankelijke milities om de vrede tegen te houden. Ook de politieke tak van de SPLA brengt niet wat mensen ervan hadden verwacht. Ze vullen vooral hun eigen zakken. Ik ben bang dat de veiligheid niet lang duurt.”

7. Wat was je laatste leugen?
“Liegen, dat gebeurt me niet vaak, dat doe ik niet graag. Mag ik daar even over nadenken?”

8. Welk compliment krijg je het meest?
“‘Je doet ’t goed.’ ‘Zet hem op.’ ‘Ik ben trots op je.’ Dat zie ik als een stimulans om verder te gaan. Tegelijkertijd maakt het me bang om te falen. Dat mensen mij toejuichen, neem ik heel serieus: ik sta enorm onder druk. Ik heb een jaar hbo gedaan en dat liep niet altijd soepel. Hoewel vrienden vonden dat ik genoeg mijn best deed, heb ik alles op alles gezet om toch naar de universiteit te kunnen. Ik begon een paar weken later dan de rest aan mijn studie rechten, maar heb in een jaar mijn propedeuse gehaald.
Mensen bewonderen mij, maar ik vind mezelf niet heel speciaal om wat ik heb meegemaakt. Ik ben niet de enige, zeg ik dan. Als ze zeggen: ‘Kon, jij bent super, ik zou dat niet kunnen’, zeg ik: ‘Nou, jij bent ook super.’”

12. Waar praat je over bij de koffieautomaat?
“Ik discussieer graag over maatschappelijke thema’s. Politiek bijvoorbeeld. In 2006 werd ik Nederlander en sindsdien heb ik al drie keer kunnen stemmen: tijdens de landelijke verkiezingen, tijdens de provinciale staten en de gemeenteraadsverkiezingen. Steeds op de ChristenUnie, dat is mijn partij. Maar we praten natuurlijk ook gewoon over de studie en over gezellige dingen, meisjes bijvoorbeeld. Ik praat heel graag, haha.”

17. Wat is je grootste fout geweest?
“Ik heb heel veel fouten gemaakt. Ontsnappen uit het kamp en weglopen van de andere kinderen beschouw ik als een fout. Ik heb hen in de steek gelaten. Dat ik vervolgens in Khartoem ben beland en daar naar school ben gegaan en heb gewerkt, beschouw ik als verraad. Ik heb nooit geprobeerd mijn ouders op te zoeken. Had ik dat wel gedaan, dan had ik mijn familie misschien eerder gevonden. Mijn vader leeft nu niet meer, mijn moeder heb ik vorig jaar in Soedan opgezocht.
In Nederland leid ik een luxe leven, dat beschouw ik in relatie met die kinderen als fout. Ik had beter met hen dood kunnen gaan. Ik heb heel egoïstisch voor mijn eigen leven gekozen. Zo voel ik dat echt. Verder heb ik tijdens mijn asielaanvraag hier in Nederland alles verteld wat ik heb meegemaakt, maar niet genoeg, misschien. Dat was te moeilijk. Misschien is dat een soort liegen, om terug te komen op vraag zeven. Ik was bang dat de IND zou denken dat ik iemand had vermoord.”

Heb je dat moeten doen?
“Nee.”

Waar was je dan bang voor?
“Ik blijf bepaalde details wegstoppen, die dingen vertel ik niet. Aan niemand. Ik ben nu volwassen, maar ik ben leeg van binnen. Ik heb een paardensprong gemaakt, ben nooit kind geweest. Als ik nu terugga, val ik in diezelfde put. Ik wens geen kind toe wat ik heb meegemaakt. Als iemand dit verhaal leest, wil ik dat die persoon onthoudt: een kind hoort een kind te zijn, geen soldaat.”

Kindsoldaten en burgeroorlog in Soedan zijn niet langer een ver-van-mijn-bedshow. Door Kon’s Cuey Machar Secondary School Foundation (CMSF) te steunen draag je direct bij aan de wederopbouw in zijn geboorteland. Giro 962401, www.cmsf.nl.