Door Ruben van den Brink
“Gelijk heb je”, riep ik nog, en “Fijne dagen!” Dat moest maar voldoende zijn. Ik draaide me om en beende in een stevig tempo richting achteruitgang. Met mijn rug naar de borrelende menigte kon ik de geforceerde glimlach eindelijk van mijn gezicht laten glijden. Wat een verademing. Mijn trekken ontspanden zich en namen een positie in die veel beter paste bij mijn gemoedstoestand. Van het resulterende plaatje zou niemand echt vrolijk worden. Het was waarschijnlijker dat ik straks voldoende lebensraum in de trein zou hebben en dat de junk voor het centraal station me voor één keer niets zou vragen. Misschien zou hij zelfs bereid zijn het laatste grammetje geluk met me te delen, omdat hij in mijn gezicht iets van zichzelf herkende. Het idee om nog voor de jaarwisseling een radicale hobby op te vatten bracht mijn mondhoeken toch weer een beetje omhoog, maar met deze sardonische grijns had ik het vermoedelijk geen minuut langer uitgehouden hierbinnen dan nu het geval was.
“Gelijk heb je”, had ik zojuist geroepen. De waarheid? Ik had geen flauw idee wat hij als laatste zei. Daarvoor? Ja, eindeloos gebeuzel waar je het moeilijk mee oneens kon zijn. Opmerkingen waarop ik niets anders kon verzinnen dan: “Goh” of “Nou, toe maar.” Maar meer had Vreeswijk ook niet nodig als hij op de praatstoel zat. Enkele van dit soort woordjes waren voldoende smeermiddel om de motor van zijn monoloog gaande te houden. In mijn gedachten liet ik Vreeswijk drooglopen en vastslaan. Ik zou zwijgen en observeren hoe uiteindelijk, na een paar terminale horten en stoten, het gesprek de geest gaf. Ook deze gedachte stemde me vrolijk. Ik zou verdomme toch geen goed humeur krijgen?
Op het binnenplaatsje, waar mijn fiets eenzaam in het rek stond, jaagde de decemberwind natte bladeren in het rond. Mijn gedachten verzamelden zich al voor een kanonnade over weer, wind en natte Kerst, toen mijn oog viel op het elegante paaltje dat sinds een week naast de poort geïnstalleerd was. In een flits draaide ik me om, graaide naast de deurklink en gleed uit over een paar rotte bladeren. Het gevoel van het plasje water dat door mijn broek heen mijn dijbeen vond en het geluid van de deur die in het slot viel moeten ongeveer tegelijk mijn brein bereikt hebben. Mijn portemonnee. Op mijn bureau natuurlijk. Niet vergeten, dacht ik nog. Ik kom voor ik ga nog wel even terug, dacht ik nog. Verdomme. Alsnog die kanonnade.
U moet weten dat sinds een week alle toegangen tot het gebouw even zwaar bewaakt worden als mijn bankrekening. U mag ook weten dat ik me maar moeilijk aanpas aan nieuwe routines. Tot vorige week was een zwaai met mijn personeelspas voldoende om alle deuren buiten sluitingstijd te openen. Maar mijn goede ouwe pas is uit de tijd. Ingehaald door de wetenschap. Gecorrumpeerd. Iets met Mifare. De twintigste pincode in mijn leven vervangt hem nu. Die heb ik dus keurig op een briefje geschreven en in mijn portemonnee gedaan.
Ik krabbelde overeind en gunde mezelf een volle minuut om de hogere macht een flinke portie van mijn ongeluk in de schoenen te schuiven. Ietwat opgelucht begon ik aan wat me te doen stond: de aandacht trekken van de borrelaars. Ik drukte mijn neus tegen het raam, dat van binnen beslagen was. De kerstborrel naderde zijn hoogtepunt. Om de gênantste taferelen te vermijden, denk jaaroverzichten op alfabet, ongeveerrijm of zelfs volksmuziek, was ik er al vroeg tussenuit geknepen. Alleen de hindernis die Vreeswijk heet moest nog genomen. Ik wist zeker dat ik dankzij zijn dubbele tong vergeten was langs mijn bureau te lopen.
Eerst maar eens stevig kloppen. Ik negeerde de pijn in mijn verkleumde knuisten, maar kreeg nog minder reactie dan op de talloze obligate gebedjes uit mijn jeugd. Het verschil was, dat bidden voor de kat z’n viool me al lang niet meer teleurstelde. Voor een reactie op mijn gebonk echter, iemand die even de gang in zou lopen, had ik maar wat graag mijn gezicht nog even in een dankbare glimlach geplooid. Schreeuwen dan maar? Terwijl ik mijn longen vol zoog met koude lucht hoorde ik hoe binnen een zelfgeprutseld afdelingskerstlied werd aangeheven. De begeleidende muziek – Frans Bauer – werd een tikje harder gezet. “Heb je even voor míj?” zuchtte ik, terwijl mijn longen weer leegliepen. Ik zocht beschutting bij de fietsenstalling, ging op mijn tas zitten, sloot mijn ogen en liet de eerste rilling langs mijn ruggengraat toe.
***
Licht. Iemand deed het licht in de gang aan. Ik veerde overeind en zette het op een beuken. “Hallo… hallo!” Door de beslagen ramen heen zag ik nog net hoe twee mensen de trap omhoog namen. De rode pumps herkende ik als die van juffrouw Smallestra. In combinatie met het vreselijke hoofddeksel – gratis bij een pak kransjes? – dat ze al de hele dag droeg verdiende ze bij mij nog voor aanvang van de borrel de titel Kerstmuts van het jaar. In het zaaltje achteraan waren de lichten inmiddels gedoofd. Was de borrel al afgelopen? Ik keek op mijn horloge. Lieve Maria, ik zat hier al bijna een uur. Maar redding was nabij. Juffrouw Smallestra zou immers haar spullen pakken en terugkomen. Ik stond klaar met mijn hele trukendoos om haar aandacht te trekken zodra ze de trap af zou komen. Twee knipperende fietslampjes op mijn jas, kloppen, schoppen en schreeuwen: dat was het plan. Als warming-up maakte ik wat kniebuigingen en bokste tegen mijn schaduw op de deur. Ik trok mijn capuchon verder over mijn hoofd en blies wolkjes de kou in. Op de tweede verdieping zag ik een licht aanknippen. Het was de kamer van Vreeswijk.
***
Hoe lang duurt het in godsnaam om je spullen te pakken? Zou ik een voorzichtig steentje wagen richting het raam van Vreeswijk? Zolang daar licht brandde kon ik me permitteren de trap even uit het oog te verliezen, nietwaar? Een andere optie… Nee. Ik ben verdomme geen twintig meer… Het dak van de stalling kom je zo op, dat is het probleem niet. Het is de sprong vanaf de vensterbank van de eerste verdieping naar de stalen buis die voor het raam van Vreeswijk loopt… Als je misgrijpt kom je lelijk neer. Als je raakgrijpt kun je die vent eindelijk eens in zijn smoel schreeuwen dat hij de rest van het kerstfeest geacht wordt thuis te vieren, dus of hij niet snel naar beneden kan komen om de achterdeur te openen. De gedachte aan zijn blik als ik voor zijn raam zou hangen gaf me voldoende adrenaline en voor ik het wist stond ik op de vensterbank van de eerste. Ik haalde diep adem, vloekte een keer zachtjes tegen mezelf, en sprong. Yes! Ik trok mezelf aan de stalen buis omhoog en keek over de rand van het venster Vreeswijk’s kamer in. Wat ik daar zag was geen pretje. Allejezus wat ordinair. Twee pumps staken hoog in de lucht en Vreeswijk’s pantalon, normaal uitmuntend dienstdoend als bedekker van bleke hammen, was afgezakt naar niveautje enkels. Wat een gevatte opmerking had moeten worden, ontaardde in een oerschreeuw.
***
Door de waas voor mijn ogen heen onderscheidde ik langzaam het elegante paaltje voor de poort. Een rood ledje knipperde in een geduldig tempo. Klaar voor een antwoord, als het daarom gevraagd werd. Maar vragen, die had ik wel! Hoe kom ik in hemelsnaam hier op de grond terecht, dacht ik, en waarom heb ik zo’n pijn in mijn hoofd? Wacht. Gevallen zeker? Plots werd het ledje groen. Dat dacht ik al. Is het ernstig? Het rode knipperen hervatte. En zag ik nou Vreeswijk? Samen met Smallestra? Groen. Ik dacht dat zij… Groen geknipper. Maar hij dan? Rood. Mijn god… Groen.
In de verte ontwaarde ik stemmen, maar de stille dialoog met het paaltje ontnam me de moed om iets te roepen. Mijn hand reikte zwakjes omhoog. “Hij beweegt!” klonk het nu. Onmiddellijk hoorde ik voetstappen mijn kant opkomen en een moment later keek ik in de gezichten van Vreeswijk en juffrouw Smallestra. “Ik dacht dat jij al lang naar huis was!”, zei de eerste. “Hoe voel je je? Je hebt het afdelingskerstlied gemist”, de tweede. “Ik hoorde een schreeuw”, zei Vreeswijk. “We zijn meteen gekomen”, vulde juffrouw Smallestra aan. Ik zag hoe ze vluchtig oogcontact zochten in de stilte die volgde. “Portemonnee… op mijn bureau…”, wist ik uit te brengen. Juffrouw Smallestra knikte begrijpend en liep op een drafje terug het gebouw in. “Zo”, zei Vreeswijk, “zullen we jou dan maar even langs de eerste hulp rijden?” De gedachte maakte me licht misselijk, maar veel kracht om tegen te sputteren had ik niet. Ik mompelde nog wat dingen als “teveel moeite… fiets… kerstavond, ga naar huis joh…” Maar Vreeswijk was onverbiddelijk. Hij hielp me overeind en ondersteunde me, terwijl hij met zijn vrije hand vlot een pincode intoetste. “Je zou voor mij precies hetzelfde gedaan hebben.” Het ledje sprong op groen. Op mijn gezicht verscheen een grimas. “Gelijk heb je.” /