Door Willem Claassen

Het was een koude avond in december, daags voor kerst. Het bedrijventerrein langs de snelweg leek door de mist te zijn opgelost. Toch vonden veel automobilisten blindelings de weg naar het hap-slik-wegrestaurant op de hoek van het terrein. Alsof ze aanvoelden dat daar iets gaande was.
Het was een avond met mierzoete kerstdeuntjes op de radio en met kou die op onverklaarbare manier de goed verwarmde auto wist binnen te dringen. Een avond waarbij je flink gas wilt geven, maar door het slechte zicht genoodzaakt bent kalm aan te doen. Dat je in je auto zit en niets ziet, maar intuïtief aanvoelt waar de hoge paal met de gele ‘M’ moet staan. Zo’n avond.

Veel bezoekers kozen op deze avond voor de McDrive. Geen zin om uit de auto te stappen en in het kindvriendelijke restaurant plaats te nemen. Liever lekker thuis. De meegereisde kinderen mopperden, de ouders dreven tactisch hun zin door. ‘We doen het zo, en anders maar geen friet!’
En zo gleden de vierwielers achterelkaar in slakkentempo richting het inspreekapparaat. Met een druk op de knop werd het raam geopend en nam een hakkelende, krakende stem de bestelling op.
Op dat moment hadden de automobilisten nog niets in de gaten. Dat de stem hakkelde, kon verschillende oorzaken hebben. Waarschijnlijk was het gewoon een oud inspreekapparaat. De autobestuurders concentreerden zich volledig op het rijtje menu’s dat ze door moesten geven en op het beantwoorden van de vragen. Die waren niet altijd goed te verstaan, maar wel te raden.
‘Wenst u er frietsaus bij?’
‘Ja.’
‘Zoet-zure (…) bij?’
‘Ja.’
‘Co(…)?’
‘Ja.’
‘(…)’
‘Ja, ja, ja! Alles erop en eraan en het liefst in zo groot mogelijke porties.’
De kou en de kerst maakten hongerig. Voor even werd er niet op de cent gekeken.
Men mocht doorrijden naar het raam van het hamburgermeisje. Vaak moest nog even gewacht worden voor men daadwerkelijk aan de beurt was. Dat duurde tien, vijftien seconden. Niets in feite, maar voor een hap-slik-wegrestaurant toch behoorlijk aan de lange kant. En dan stond men eindelijk naast haar raam. Moest het autoraampje weer open, dook de kou ongegeneerd naar binnen, werd de portemonnee uit de broekzak gevist en een biljet, dat ruim voldoende moest zijn, eruit gehaald. Pas op dat moment gingen de ogen naar het meisje.

Het werd stil in de auto. Dit was even slikken. Geen plastic glimlach, geen quasi-vriendelijke oogopslag van een doorgewinterde professional. Nee, niets van dat. Het waren tranen. Het hamburgermeisje liet ze rijkelijk vloeien. Geen overdreven tranen, en ook niet begeleid door gejammer. Nee, dit was oprecht te noemen. Het meisje probeerde zo goed mogelijk haar werk te doen, maar de tranen bleven over haar wangen rollen. Af en toe ontsnapte er een snik.
Alsof het een bedevaart betrof, trokken de mensen langs dit huilende fenomeen. Snikkend herhaalde het meisje de bestelling ter controle. Vervolgens maakte ze het geldbedrag bekend. In de ene auto werd onbewust met open mond naar haar gekeken. In de andere auto werd in een reflex het gezicht afgewend, oogcontact vermijdend. Het waren ongemakkelijke situaties.
Door de kleine opening aan de onderkant van het raam van het restaurant werd het geld overhandigd. Het meisje duwde het voedselpakket, dat net door de opening kon, terug. Samen met het terug te geven bedrag. De automobilisten draaiden snel het raampje dicht, trokken op en verdwenen in de mist.
Er werd nauwelijks iets tegen haar gezegd. Af en toe kwam er met veel moeite een vluchtig ‘dankjewel’ uit. Desondanks was iedereen geraakt door het verdrietige tienermeisje achter glas.
Op weg naar huis, terwijl de frietlucht zich over de auto verspreidde, zocht men naar verklaringen. Men wilde het begrijpen. Een moeder stelde zichzelf en haar gezin gerust: ‘Het zal de verkering wel zijn.’
Een zakenman herinnerde zich de verontrustende berichten die hij ’s morgens in de krant gelezen had. Over tegenvallende resultaten bij enkele grote horecabedrijven.
Een dichter dacht dat ze al het verdriet van deze rampzalige wereld op zich nam. Hij schreef deze gedachte gelijk op in zijn aantekenschriftje dat hij altijd bij zich droeg. Het hamburgermeisje was de kiem voor nieuwe poëzie.
Twee hartsvriendinnen, terug van een dagje shoppen, waren ervan overtuigd dat het om een onverklaarbare huilbui ging. ‘Zo eentje die iedereen wel eens heeft’, zei de een terwijl de ander driftig jaknikte, waarmee hun vriendschap nog maar eens werd bevestigd. Zo zocht ieder zijn eigen antwoord, terwijl men zich verwijderde van het restaurant waar de tranen bleven komen.

Tot die ene man, in die oude, pruttelende roestbak. Je zou het niet van hem verwachten. Ook hij had de gele ‘M’ blindelings gevonden. Ook hij wilde snel friet en dan naar huis. Ook hij werd volkomen verrast door het huilende meisje. En ook hij draaide gewoon zijn autoraampje open en overhandigde het geld.
Maar hij bleef naar het meisje kijken. Niet met open mond, maar gewoon op een manier om oogcontact te krijgen. Zij ontweek hem. Toen ze hem de maaltijd toeschoof, duwde hij het terug. Nu kon ze niets anders dan hem aankijken.
‘Neem jij maar’, zei de man.
Het hamburgermeisje aarzelde even, wreef wat ongemakkelijk in haar rode ogen. Toen opende ze de papieren zak. De man lachte haar toe. Langzaam draaide hij zijn raampje dicht en reed weg.
Het huilen was voorbij en iets was voorgoed veranderd, daar bij dat hap-slik-wegrestaurant.