Door Rogier Teerenstra
Het is een stille nacht, met witte vlokken dwarrelend doordrenkt. De campus, eenzaam verlicht, verandert langzaam in een sprookjeslandschap, het Erasmusgebouw steekt fier af tegen de inktblauwe hemel. Slechts ergens bovenin dit trotse gebouw brandt nog een verlaten licht. Vanaf de straat is niet te zien hoe dat licht met een plotselinge flits uitdooft, noch zijn de andere flitsen te zien die daarop volgen. Evenmin is het glas te zien dat daar op enkele kribbige punten plotseling barst, om daarna, slechts een moment daarna, in duizend stukken te breken. En niemand zal vanaf de straat die twee lichamen zien die daar, tezamen met het glas, door het fiere gebouw lijken te worden uitgespuugd.
Deze avond komt niemand meer tezamen…
Een half uur eerder, zestien verdiepingen hoger…
‘Jingle bell, jingle bell, jingle bell rock,’ neuriede de radio zachtjes. Drie studenten – eigelijk waren ze met hun vieren, het kleine hummeltje lag zachtjes te dommelen in de armen van haar jonge moeder – waren bij elkaar gekomen op dit eenzaamste punt van het jaar. Kerstavond. Feest der verdwaalde zielen.
‘Ik wil een sigaret,’ dacht Elly. Ze kon alleen niet zomaar naar buiten lopen, want de bewakingsdienst had al moeilijk genoeg gedaan toen ze dit ‘kerstfeest’ híer wilden organiseren. ‘Een feest voor drie mensen.’ dacht ze. ‘Wat een belachelijke idee.’ Ze had zelf het initiatief tot dit feestje genomen, maar het was een idioot idee geweest. Dat wist ze nu en ze kon zich wel voor haar kop slaan, want ze had het meteen al moeten weten. Er was immers geen enkele andere tijd van het jaar dat ze zich meer eenzaam, verlaten en verloren voelde dan op deze dag. Dus waarom had ze gedacht dat dit feestje daar verandering in zou brengen?
‘Nou, nog een cadeautje, jongens,’ riep Etty gemaakt vrolijk naar haar medestudenten, Dieter en Helen. ‘De laatste. Voor wie zou het zijn?’
Ze tilde het in paars glinsterend pakpapier gehulde geschenk op. Op een geel blaadje stond op de onderkant met keurige blokletters een naam geschreven. ‘Frank,’ las ze hardop en dacht: ‘Wie is verdomme…’
‘Mijn zoontje?’ vroeg Helen verbaasd, met het kindje wiegend in haar armen. ‘Hebben jullie ook wat voor mijn zoontje gekocht? Ach, wat lief!’
Etty voelde zich rood worden. Ze wist van niks, ze had er ook helemaal niet op gerekend dat Helen haar kind mee zou nemen. Ze had er sowieso niet op gerekend dat haar vroegere studiegenote hier zou zijn – die was uiteindelijk toch vijf maanden geleden gestopt met haar studie vanwege haar zwangerschap. Maar Etty had niet het hart gehad om Helen weg te sturen. Het was immers kerstmis. Maar een cadeautje?
‘Je zoontje? Natuurlijk hebben we daar ook een cadeautje voor,’ riep ze uit. Ze reikte het pakketje aan en stond zelf op.
‘Ik pak nog wat te drinken. Wie wil er nog wat?’
Een ogenblik later laadde ze in het kleine keukentje van de faculteit de bestelling van de anderen op een dienblad. Terwijl ze terug naar de kamer liep hoorde ze een opgewonden stem in de kamer zeggen: ‘Oh, wat een mooi kistje. Kijk eens, Frankie, wat mooi. Wat zou er in zitten?’
De gil die volgde maakte dat Etty het dienblad bijna uit haar handen vallen Ze rende naar de deuropening en keek in drie geschrokken gezichten die haar verbijsterd aankeken. ‘Wat is er aan de…’
Helen duwde het cadeau richting Etty. Het was een klein, smal kistje, met een donkergelakte buitenkant en een met fluweel beklede binnenkant. De deksel was opengeslagen. Binnenin was lege ruimte uitgespaard. De lege ruimte had de vorm van een pistool.
‘Wat moet je met…’ stamelde Ettty, ‘Wat moet je met…’ Ze wist niet wat ze wilde zeggen.
‘Wat moet je met een pistool op een kerstfeest?’ maakte Dieter droog af.
‘En waar is het pistool dat er in hoort,’ krijste Helen, terwijl ze haar kindje beschermend tegen zich aan drukte.
‘Tja,’ zei de stem vlak achter Etty en ze voelde een koude hand op haar schouder.
‘Tja, zouden we dat niet allemaal willen weten?’
Helen gilde. Etty verstijfde. ‘Wie ben jij?’ vroeg ze, bijna fluisterend. Ze voelde iets hards en kouds in haar rug priemen en werd zo naar voren geduwd.
‘Ik?’ De jongen gaf haar een ferme duw, waardoor ze voorover struikelde en met dienblad en al over de schoot van Dieter buitelde. De jongen die achter haar had gestaan en haar met een pistool in de rug had gepord, tilde het wapen nu naar zijn hoofd en tikte bij wijze van saluut met de loop tegen zijn voorhoofd.
‘Ik ben de geest der voorbije tijden.’
‘Jezus, Chris!’ schreeuwde Helen, maar ze matigde haar stem om sussend en troostend haar geschrokken zoontje tegen zich aan te drukken. Etty kroop verder achteruit, Dieter duwde haar van zich af. De jongen met het pistool, die blijkbaar Chris heette en die Helen kende, liep naar voren, zwaaiend met het pistool. Zijn arm draaide naar Helen en met het pistool wees hij naar het kind.
‘Het spook van de toekomstige tijd,’ mompelde hij koortsig.
Helen draaide haar kindje huilend weg van het wapen. ‘Stomme klootzak, wat ben je aan het doen!’
‘En jij,’ Chris draaide zich om naar Etty en liep dreigend op haar af. Hij stootte haar met zijn voet opzij, en wees met het pistool naar het voorhoofd van Dieter.
‘Jij bent het spook van de tegenwoordige tijd, of niet soms? Jij bent het nieuwe vriendje, toch?’
‘Wie ik? Ik ken haar niet eens.’ Dieter gebaarde geërgerd, maar hij drukte zich toch dieper in de bank. ‘En doe dat ding eens weg,’
‘Weg, weg met dat ding? Je liegt, klootzak!’ schreeuwde Chris. ‘JE LIEGT!’
Hij zwaaide met het wapen in het rond en Etty keek voor een doodstille seconde lang recht in de loop. Op de radio hoorde ze ergens ver op de achtergrond zingen, ‘…once bitten and twice shy, I keep my distance, but you still catch my eye…’
‘Die trut heeft een kind van je en dat had míjn kind moeten zijn. HOE ZOU JIJ JE VOELEN ALS ER TEGEN JE GELOGEN WORDT!’
‘Dus loop je hier met een pistool naar binnen?’ riep Dieter. ‘Oetlul, weet je wel wat voor avond het is!
‘Ze hoort bij mij,’ schreeuwde Chris naar Dieter. ‘Snap je dat dan niet, ze hoort bij mij!’
Hij keek verwilderd naar Helen, die in paniek verstijfd bleef zitten. Het kindje in haar armen maaide met krampachtige beweginkjes met zijn armpjes in de lucht, treurig huilend. Zijn moeder keek met tranen bevlekte wangen omhoog naar Chris, verstild, verstijfd.
‘Dit is mijn kind.’ zei ze zachtjes.
‘Nee!’ siste Chris haar toe. ‘Hij is van MIJ. Hij hoort van mij te zijn. En JIJ ook!’
‘Hoe kan dit zo snel mis gaan?,’ dacht Etty. ‘Het is kerstavond.’ Ze was aan het luisteren naar George Michael, die zwijmelend zong: ‘…last Christmas I gave you my heart, but the very next day you gave it away…’
‘Oh nee,’ dacht Etty. ‘Niet dat…’
‘… KUTLIED!’ Chris richtte wapen op de radio en schoot.
De knal was immens, vulde de ruimte als een explosie. Etty hoorde een dof gepiep in haar oren, gilde, hoorde zichzelf steeds harder gillen. In een flits besefte ze dat Dieter Chris was besprongen en dat de twee jongens nu worstelden om het wapen. Het pistool ging opnieuw af en de TL-verlichting boven hen werd geraakt. Alles werd donker. Twee schaduwen sloegen in de duisternis op elkaar in, een elleboog ramde een kin, een vuist ramde een schedel, een knie schampte langs een dijbeen. Etty kon niets anders dan verstijfd blijven gillen. Helen en de baby krijsten met haar mee.
Weer schoten, snel na elkaar, ze zag het raam op verschillende plekken barsten.
Etty dacht: ‘Het is kerstmis. Dit is kerstmis. Dit is…’
Toen zag ze hen struikelen, zag ze over de tafel heen zeilen, zag ze met zijn tweeën tegen het raam dreunen. Etty zag het glas bijna buigen toen de lichamen er met al hun lompe gewicht en vaart tegenaan vielen, zag het trillen en vervolgens in duizenden scherven uiteenspatten. Het volgende ogenblik waren ze verdwenen, die twee jongens die ze niet kende en die ook niet meer zou kennen, nooit meer. Ze zag ze wegzeilen, zo maar uit het zicht, gegrepen door een onzichtbare hand, weggerukt uit hun bestaan. Ze kon niet ophouden met gillen.
Twee lichamen zweven door de nacht, als engelen, door sneeuwwitte vleugels gedragen. Het zachte suizen van de sneeuwstorm wordt slechts doorbroken door een dof brekend, ploffend geluid wanneer ze neerkomen. Dan zijn de lichamen enkel nog gebroken engelen, als treurige kerstversieringen, gevallen uit hun boom. Doodstil liggen ze daar, kapotgeslagen op de stenen van het plein. Maagdelijke sneeuw kleurt diepdonkerrood. In de verte klinken vaag sirenes. En ergens ver daarboven, hoog aan de hemel, diep in de nacht, ver voorbij die zwarte toren van Erasmus, blikkert een eenzame ster haar eeuwige boodschap, een boodschap die vervaagt, steeds meer vervaagt…
Het was een stille, heilige nacht…