Ze komen zondag in groten getale naar de campus: baby’s. Het Baby Research Center (BRC) dat tien jaar bestaat, nodigt zijn onderzoeksobjecten uit om het jubileum mee te komen vieren.
Elf jaar geleden ontving Anne Cutler, hoogleraar vergelijkende taalpsychologie en directeur van het Max Planck Instituut voor Psycholinguïstiek, de Nederlandse Nobelprijs: de Spinozapremie. Bij die gelegenheid onderstreepte ze het belang van onderzoek naar babytaal. Ze heeft een deel van haar premie gebruikt om een speciaal laboratorium in te richten voor onderzoek naar de ontwikkeling van taal bij baby’s. Het Baby Research Center aan de Montessorilaan is nu een samenwerkingsverband van de Radboud Universiteit en het Max Planckinstituut. Voxlog vroeg directeur van het BRC Sabine Hunnius wat tien jaar babylab betekent.

Allereerst gefeliciteerd! Hoeveel baby’s verwachten jullie zondag?
‘We wilden eerst iedereen uitnodigen die de afgelopen tien jaar aan ons onderzoek heeft meegewerkt. Maar dat zijn 3500 kinderen. Stel je voor dat ze allemaal zouden komen! We hebben daarom nu alleen die ouders gevraagd van wie het kind nu nog meedoet aan onderzoek, het wordt dus een feestje met heel veel kleintjes. We hebben 1200 kaarten gestuurd en rekenen op zo’n 200 mensen.’

Jullie zijn de afgelopen tien jaar flink gegroeid. Wat is er veranderd?
‘We zijn destijds begonnen met één onderzoeksgroep, bestaande uit een handvol mensen, met één onderwerp, namelijk taalontwikkeling van baby’s. Inmiddels zijn er drie onderzoeksgroepen, die elk verschillende onderwerpen in de vroege ontwikkeling bestuderen. We hebben nu een groep die zich bezighoudt met de sociaalcognitieve ontwikkeling van baby’s. Hier staan vragen centraal als hoe leren baby’s begrijpen wat iemand anders aan het doen is of hoe leren jonge kinderen om met anderen samen te werken. Een andere groep onderzoekt voortalige communicatie; gebaren, wijzen. We zijn dus veel groter geworden, we hebben nu zo’n twintig onderzoekers.’

Gebruiken jullie nu ook andere apparatuur of andere onderzoeksmethoden?
‘Omdat het niet meer alleen gaat om het bestuderen van gedrag maar ook om de achterliggende neuropsychologische processen, zetten we vaker EEG-apparatuur in. En we gebruiken nu ook eye-trackers waarmee we de oogbewegingen van baby’s precies kunnen volgen. Die kunnen ons veel vertellen over hoe baby’s hun omgeving waarnemen. In een experiment waarbij baby’s naar filmpjes keken waarin een vrouw verschillende alledaagse voorwerpen gebruikt, zagen we bijvoorbeeld dat baby’s van zes maanden al met hun blik vooruit liepen op wat er gebeurde. Ze keken dus bijvoorbeeld al naar de mond van de vrouw wanneer zij nog maar naar het kopje greep. Zo klein als ze zijn weten deze baby’s dus al waar dat kopje heen moet.’

Waarom vinden jullie het zo belangrijk om baby’s te onderzoeken?
‘Ten eerste is het heel spannend om de allervroegste ontwikkeling in kaart te brengen. En als we baby’s en hun ontwikkeling begrijpen, begrijpen we ook een stuk beter hoe volwassenen in elkaar zitten. Het kan ons veel vertellen over de mechanismen waarmee wij anderen begrijpen, met elkaar samenwerken of taal verwerken. En tenslotte kan kennis over de normale ontwikkeling natuurlijk uiteindelijk leiden tot een beter begrip van wat er mis gaat bij kinderen bij wie de ontwikkeling niet helemaal vlekkeloos verloopt.’