‘Ich studiere Filmwissenschaften hier am Freie Universitat Berlin. Ja, von die Niederlände ja’, oefen ik vast voor de spiegel. Duits staat me wel, concludeer ik. Begrijpelijk, want ik ben praktisch een Duitser. Het eeuwenoude verhaal: Nederlandse jongen, pikt Duits Mädchen op en daar komen kindjes van. En dat waren mijn ouders.
En ik ben dus een allochtoon. Dat schreeuw ik niet van de daken, vroeger was Duitsland namelijk niet zo oké. (Goed dat weten we allemaal wel, maar ik heb het hier niet over ’40-’45, maar over ’90-’95 en geloof mij, ook dat was geen goede tijd om Duitser te zijn, vooral niet als je op de basisschool zit en ais zegt in plaats van ijs.) Tegenwoordig ben ik er wel opener over, doordat Berlijn zo hot is en Keulen zo happening kan ik vast wel zeggen dat ik ook uit Duitsland kom.
Maar misschien lag mijn lage populariteitsniveau toen ook aan het feit dat ik zo’n sticker op mijn oog had, omdat ik slecht kon zien. Mijn generatie schele kindertjes had dan nog enigszins geluk: er waren versierplaatjes voor je huidskleurige piratenlapje. Veelal waren dit plaatjes van olifanten met zonnebrillen of giraffen met rugzakjes. Hoe aandoenlijk ook, ik won er niets aan populariteit door. Scheel en Duits dus. Ik moet in mijn vorige leven iets goed fout hebben gedaan.
Maar nu ga ik dus terug naar mijn roots, om in Duitsland te studeren. En ik weet niet hoe populair Nederlanders in Duitsland zijn, maar misschien moet ik maar lenzen nemen. Dan ligt het in ieder geval niet daar aan. Anders wird es ja nie wass.