‘Laat ik eens gaan werken in een cafeetje in de stad (op zaterdagmiddag), was echt het aller-domste dat ik kon denken. Ik dacht het namelijk niet alleen, een kleine 3000 anderen met mij dachten het ook. Dus zit ik hier nu, aan een lange houten tafel, met mijn computertje ingeklemd tussen een dertigtal andere. Er klinkt verantwoorde bliepjesmuziek, mensen kletsen, er staat een rij tot buiten en ik doe net alsof ik heel relaxt aan het werken ben.

Wat ik misschien ook wel ben, ik weet het niet zo goed want ik heb net een grote cappuccino gedronken en cafeïne stijgt me altijd gauw naar het hoofd. Mocht ik hier door een onverwachte aanval van frustratie ineens iemand doodslaan met mijn koffiekopje, dan was ik dus in ieder geval ontoerekeningsvatbaar. Dat scheelt, dan schijn je strafvermindering te krijgen.

Niet alleen ik word neurotisch van de drukte (of was het de cafeïne?), ook de jongen achter de counter (het is zo’n koffietentje, dat geen koffietentje is maar een ‘coffee spot’ en dat vinden ze zo hip dat ze geen toonbank zeggen, maar counter, want als je het nog niet wist dingen op z’n Engels zeggen is een stuk verantwoorder dan gewoon Nederlands, dus), de jongen achter de counter is ook neurotisch. Dat zie ik want hij zegt het, hij zegt: ik word hier neurotisch van, zie je dat? Ik zie het, omdat hij na elk kopje koffie dat hij maakt het aanrecht poetst. Maar dat kan ook zijn omdat hij gewoon nog niet zo goed is met koffie inschenken. Misschien werkt hij er net.

Hij verontschuldigt zich, wat niet hoeft, want ik begrijp het. Ik ben ook niet zo goed met koffie inschenken en melk opschuimen. Bovendien moet bij mij altijd alles netjes recht op mijn bureau liggen, iets dat ook getuigt van een bepaalde vorm van neurose. En ik vind het zo fijn dat we iets gemeen hebben, dus ga ik maar weer zitten aan de lange houten tafel met nog een koffie en doe ik alsof ik werk.