‘Als je doctorandus bent gaan we bij de Japanner eten!’ en: ‘Wanneer moet je eigenlijk weer naar de uni?’ roept mijn vader uit de keuken. Hij kijkt wat verbaasd bij het antwoord. ‘September? Dan pas? En dan weer voor één dag per week zeker? Want je ging al nooit toch?’ Het klopt allemaal. De totale break van het oh zo zware studentenleven valt eigenlijk nauwelijks op. Qua studeren doe ik nu net zoveel als eerst (vrijwel, eh niets) en toch heb ik al mijn vakken met goede cijfers gehaald.
Ik doe een stage, heb een paar baantjes en hobby’s (kruiswoordpuzzels, lange wandelingen langs het strand, etc.) en ik heb nog steeds tijd over. Hij gaat verder: ‘Ze zeggen toch altijd dat studenten het zo druk hebben, maar waarmee dan? Hebben ze baantjes of slapen ze elke dag uit? Lopen ze ook stage? Dan snap ik wel dat ze het kut vinden (ja mensen, hij denkt het en hij zegt het) dat de basisbeurs wordt afgeschaft. Dan moeten ze ineens écht iets gaan doen.’
Ik probeer nog even voor ons – studentenvolk – op te komen. Dat veel studenten sporten en in verenigingen zitten. Dat ze écht drukke studies hebben, waarbij je wel opdrachten moet maken waar je langer dan 10 minuten over doet met moeilijk huiswerk enzo. Maar als ik door denk kom ik tot de conclusie dat ik ook maar weinig studenten ken die écht druk aan hun ‘toekomst werken’ – en meer van dat soort lelijke termen –. Terwijl wel elke student altijd ‘druk, druk, druk’ is, met of zonder baan. Maar waarmee dan? Als ik heel eerlijk ben, vraag ik me dat ook wel eens af.