Menig docent zal gistermiddag jaloers gekeken hebben naar het gastcollege van minister van Ontwikkelingszaken Bert Koenders. In een bomvolle collegezaal van het Huygensgebouw namen de studenten zelfs genoegen met een plaatsje op de trappen. Minister Koenders hield er een college over internationale solidariteit in tijden van crisis.
Nadat eerst het Nijmeegs kwartiertje in acht wordt genomen en de haperende techniek verholpen wordt steekt Koenders van wal. Waar het gemiddelde college vaak geflankeerd wordt door flitsende powerpoint slides, heeft de minister gekozen voor een ietwat saai zwart op wit concept. Maar daar heeft hij een goede verklaring voor: ‘Dit is de eerste keer in mijn leven dat ik een powerpoint presentatie houd, maar gelukkig heb ik iemand meegenomen om op de knopjes te drukken.’ Het blijkt een van de weinige keren te zijn dat de gastdocent de lachers op zijn hand weet te krijgen.
Zijn college is simpelweg gortdroog. Wat hem overigens niet tot een slechte spreker maakt, integendeel, hij is niet voor niets minister. Het overwegend politicologie studerende publiek hangt dan ook aan zijn lippen. Ondergetekende kon af en toe echter met moeite een geeuw onderdrukken. In het college focust Koenders op het belang van ontwikkelingssamenwerking, ook in tijden van crisis. Zo beschrijft hij puntsgewijs de invloed van verschillende crises in Derde Wereld landen. ‘De financiële crisis is dramatisch voor ontwikkelingslanden. Wij kunnen onze economie beschermen door bijvoorbeeld banken overeind te houden, dat kan niet in een ontwikkelingsland.’ Maar ook de mondiale klimaatcrisis en de voedselcrisis komen voor arme landen keihard aan.
In het restant verheldert Koenders hoe Nederland een rol kan spelen bij het oplossen van die problemen ‘Je kunt helaas nooit alles doen, maar je wilt wel iedereen helpen. Wij zetten in op de landen waar de achterstand het grootst is.’ Verbazingwekkend genoeg komen de problemen in Haïti in Koenders betoog daarbij maar marginaal aan bod. Ook in de daaropvolgende discussie, die weinig onderdoet voor het vragenuurtje van de Tweede Kamer, weet alleen een enthousiaste 6-VWO scholier Haïti in zijn vraag te verwerken: ‘In hoeverre speelt de media, zoals in Haïti een rol in ontwikkelingssamenwerking?’ Op de verder kritische vragen van het studentenpubliek pareert hij met gemak. Uiteindelijk kijkt Koenders terug op een geslaagde middag: ‘Heel constructief om in een levendig college met de Nijmeegse student het gesprek aan te gaan.’ Meningen kunnen verschillen.