Het is fijn als andere mensen je problemen erkennen. Dat is zo als je zegt dat je chlamydia hebt, en anderen dat ook wel eens hebben gehad of als je toegeeft wel eens in je neus te peuteren. Dat doet ook iedereen. In dit geval gaat het om een probleem met een naam die ná (het woord crisis dan) al collectief uitgekotst wordt nog voordat het überhaupt is ingevoerd: ov-chipkaart. Het is een regelrecht drama.

Ik heb het, samen met een kleine 650.000 anderen, allemaal getrotseerd: van de rijen tot de hulplijn en van de kiesmenu’s tot de brieven. Hij werkt nog steeds niet. Het is verschrikkelijk. Toch hebben ze één ding wel goed geregeld, de enige reden dat ik nog niet met opwaardeerapparaat en al voor de trein gesprongen ben: bij de klantenservice werken alleen maar Surinamers. En dan geen gewone Surinamers, maar Surinamers die allemaal klinken alsof ze grote gezellige negerinnenmama’s zijn. En dat maakt de pijn een stuk beter te verlichten.

Want al heb je nog zoveel uur in de rij gestaan, al heb je nog zo vaak de melding ‘opladen tijdelijk niet mogelijk’ getrotseerd en heb je al ZO vaak in de trein gehoord dat je die kaart nu toch echt eens op moet gaan laden (JAHA), het leed is gauw geleden als je na elk woord dat je zegt (of tijdens elk woord dat je zegt) hoort: “ohhh, dat vind ik heel vervelend voor u mevrouw.’ En dat dus met een gezellige negerinnenstem. Zo ben ik er al vijf keer ingetrapt, en al vijf keer heb ik gezegd: het geeft niks, ik wacht gerust nog even af. En dat doe ik dus al ruim drie weken.

Twaalf opwaardeerpogingen en zes belletjes met de hulplijn later is het een bijzonder duur grapje geworden, die kaart. Exclusief de kosten van uw mobiele telefoon, kost het namelijk 10 eurocent per minuut om door een 8-keuzes-rijk-menu te klikken. Gelukkig is er aan het eind altijd nog de Surinaamse mama die me vertelt dat alles vanzelf weer goed komt. Dus daar blijf ik maar op hopen.