Zij is terug van weggeweest: de Buytendijklezing. Velen zullen de schouders ophalen bij deze opening, want de lezingenreeks dateert alweer van een jaar of tien geleden. Toen boog jaarlijks een prominent hoogleraar zich over de verloedering van de universiteit, om zich in een liefst sprankelend betoog uit te spreken over de idealen van academische vorming. Deze week werd de traditie hervat, met een betoog van hoogleraar Jan Bransen. ‘Het onderwijs is maar al te vaak disciplinair, in de – kwalijke – zin van disciplinerend.’
Vox moet eerst kleur bekennen: we zijn medeplichtig aan de herstart van de Buytendijklezing. In een serie vorig jaar over ‘het onbehagen van de academie’ (zeg maar: over de zesjescultuur, de verschoolsing en prestatiedruk, en wat daartegen te doen), werd een hele aflevering gewijd aan de hoogleraren die tussen 1994 en 2002 aan deze universiteit, in de eerste week van januari, de Buytendijklezing uitspraken. Die lezingenserie had als bedoeling de alledaagse werkelijkheid van de universiteit af te zetten tegen de ideale academie, en het vijftal hoogleraren dat aan het woord kwam uitte zijn zorgen. Jean-Pierre Wils, hoogleraar Cultuurtheorie van de moraal, kreeg in het artikel het laatste woord: ‘Misschien moeten we wel terug naar een jaarlijkse Buytendijklezing.’
Die laatste zin van Wils staat er niet toevallig. Als schrijver van het artikel, en van de meeste andere artikelen in de serie, werden mijn eigen zorgen over de zesjescultuur alleen maar bevestigd. Toegegeven, het vijftal hoogleraren was natuurlijk geselecteerd op een kritische kijk op de universiteit, en een weerwoord van optimisten was er niet, dus Vox stuurde in het verhaal de lezer in een bepaalde richting. Dat we journalisten zijn wil niet zeggen dat we neutraal zijn, ik tenminste niet, en behalve onbekommerd verslag doen, willen we af en toe graag een zetje geven aan een debat of ontwikkeling. Ik schreef die laatste zin van Wils dan ook met genoegen op. Die uitsmijter was ook míjn verzuchting.
Het artikel bracht godzijdank enige beroering, tenminste: er werd over gepraat, en niet door de minsten, lees: het werd besproken door de hoogleraren die het honours programma richting geven. In de week na verschijning van het artikel ging ik te rade bij Han Rouwenhorst van het honours programma, om me ervan te verzekeren dat de laatste zin van het artikel geen dode letter zou blijven. Goed nieuws. ‘De lezing staat opnieuw op de agenda’, zei Rouwenhorst, en dat het niet bij die agenda bleef konden we afgelopen maandag beleven toen de herstart een feit werd. Geheel in traditie stond op de laatste maandag van januari een geleerde achter het kansel om getuigenis af te leggen van zíjn ideale academie. En het werd een mooi betoog, dit keer uit de mond van Jan Bransen, hoogleraar Filosofie van de gedragswetenschappen.
De lezer zal denken dat ‘mooi betoog’ als kwalificatie van mijn hand nu verdacht is. Maar ook al ben ik medeplichtig en juich ik de herstart van de lezingenreeks toe, ik zou nu zeker opschrijven dat Bransens lezing een teleurstelling is mocht daar reden toe zijn. Maar hierbij de tekst om zelf het oordeel te vellen, en wie de rede in boekvorm wil, moet een mailtje sturen naar Han Rouwenhorst (h.rouwenhorst@honours.ru.nl). Ik ontsla me hierbij van de plicht de lezing van Bransen samen te vatten. Dat zou hem tekort doen. Het ging over onderwijs dat aan de universiteit vaak het predikaat wetenschappelijk eigenlijk niet verdient, omdat docenten al te vaak de getrimde kennis centraal stellen, zonder zich te bekommeren of in de hoofden van studenten een beweging op gang komt in de richting waar het écht om moet draaien: het ontbrekend begrip te lijf gaan, begeleid door docenten die voorleven dat ze het zelf ook nog moeten ontdekken. Lees zijn rede en zeg het voort, want Bransens woorden moeten het hele jaar mee, totdat in januari 2011 de volgende redenaar zich aandient. Het inblazen van het academisch ideaal, zo valt te vrezen, zal nog wel een paar jaar nodig zijn.