Aan het begin van het collegejaar vroeg ik me af hoe ik het zou vinden. Van mijn Amsterdamse stageplek met haar koffie/espresso/driegangen apparaat naar de koffiemachines in het Erasmus, van het kantoor naar de collegezaal en van literaire festivals organiseren naar tentamens leren.
Ik vind het heerlijk. Amsterdammers beschouwen hun stad toch als het middelpunt van de wereld, en als je er niet woont betekent dat constante hoofdstadpropaganda (Kom! Hier! Wonen!). Ik geloof echter: als hun stad echt zo geweldig was, die constante verhuislobby niet nodig zou zijn, maar er zijn blijkbaar nog steeds mensen die onder dwang naar het Westen verhuizen, want de Amsterdammers geven het niet op.
Nee, dan vind ik dit uit de kluiten gewassen dorp toch wel lekker. Alles is op fietsafstand, iedereen is er gewoon ‘kei gezellig’ (of was dat Brabant?) en alles gaat een stuk langzamer. Met het vallen van de blaadjes, verdwijnt ook de constante drang om overal en bij elk feestje te moeten zijn en eindelijk kun je weer rustig ademhalen. De Vox-redactie was de afgelopen week heerlijk verlaten (want herfstvakantie), en was dus een prima plek om stukjes te tikken en tentamens te leren. Af en toe kwam er een verdwaalde – en natte – student binnenwaaien, bijgestaan door een berg gele herfstblaadjes. Buiten was het koud, maar binnen was er gratis koffie.
En zo kom ik bij mijn laatste punt. Er is één ding dat elders beter geregeld is, waarin Nijmegen, of laat ik zeggen de campus, tekortschiet. Slechts één ieniemienie klein puntje dat de donkere dagen nog iets fijner zou maken. Eén ding dat ik ontzettend mis. Lekkere koffie. Want die Max Havelaar drab mag dan ecologisch verantwoord zijn. Hij is ook niet te drinken.