De blauwe. De blauwe. De blauwe. De blauwe. De blauwe. De blauwe koffer is nu al vijf keer langs gekomen maar onze zwarte glanzende nog niet. We staan al drie kwartier op onze koffers te wachten op JFK in New York. Ik moet overgeven. Ik geloof dat ik niet tegen vliegen kan.

De wet van Murphy stelt dat alles wat fout kán gaan ook fout gaat. En dat gebeurt. Het vliegveld raakt onze koffers kwijt en het is natuurlijk niet hun schuld. De koffers zweven ergens in het luchtledige of ze staan nog op Toronto of ze zijn leeggeroofd en mijn strings worden nu gedragen door een bende Canadezen, je weet het maar nooit. Eenmaal in het appartement aangekomen zijn de koffers er nog steeds niet, in plaats daarvan heb ik nu koorts. En keelpijn. En een hoestje. En ik was op Lowlands, de plek waar twee dagen geleden de Mexicaanse griep uitbarstte. Drie dagen kamperen-zonder-te-douchen in de polder met 50.000 andere Nederlanders is nu officieel slecht voor de mens. In tegenstelling tot de stad slaap ik wèl de hele dag. De volgende ochtend gaan we lekker Times Square besmetten. En terwijl jullie dit lezen ben ik net terug uit de Big Apple en alweer terug op de campus. Dan kan ik vanmiddag ook nog even bij de opening van het academisch jaar het virus gaan verspreiden onder de Joris Luyendijk-fans.

Iedere andere vakantie zou na al het voorgaande genadeloos kelderen in de peilingen, maar niet New York. New York is namelijk geweldig. Ik besefte het vooral op het Michael Jackson memorial/verjaardagspartijtje in Prospect Park, een paar dagen geleden. Duizenden rondborstige, uitzinnig dansende negerinnen, jongens met MJ in hun haar geschoren, meisjes dragen oorbellen met hun idool erop, mannen met glitterhandschoenen en wij, zes blanken met een paraplu, doen de boogie in het park.
Terwijl ik dit schrijf zit een Indiase stewardess mijn rug in te smeren, daar ben ik net in het vliegtuig doorheen gegaan. Thanks, Murphy. Gelukkig hebben we altijd Michael nog.