Velen roepen de laatste weken: wij willen, niet alleen in Nederland, maar juist ook in Nijmegen, een breed geesteswetenschappelijk debat. Wij willen eerst praten over de inhoud, en niet, of pas daarna over de organisatie. Onzin, natuurlijk. Elke inhoud heeft een (organisatie-)vorm.
door: Peter Rietbergen, hoogleraar Cultuurgeschiedenis

De Nijmeegse RU telt minstens vier geesteswetenschappelijke faculteiten – overigens vind ik, vanuit het perspectief van de historische wetenschap, delen van Psychologie en Sociale Wetenschappen ‘even’ geesteswetenschappelijk, maar daarover hoor ik helaas niemand (meer). De kleine vier – letteren, theologie, religiewetenschappen en filosofie – hebben in elk geval een dure bestuurlijke ‘overhead’, waarover men in tijden van krimp toch zeker zou moeten willen praten. Belangrijker: men kan deze vier faculteiten evengoed beschrijven als heilloze verkokering van geesteswetenschappelijk onderwijs en onderzoek als dat men de al bijna gerealiseerde fusie kan laken als vernietiging van waardevolle geesteswetenschappelijke tradities. Daarom gaat het dus niet. Als je zinvol over de inhoud wilt praten, denk dan ook na over de vorm. Wees, bovendien, ook verder realistisch – denk dus tevens na over financiering.

Wat het onderzoek betreft. Is het bejubelde Rapport Cohen een goed uitgangspunt? Ik weet niet waarom zovelen zich zo enthousiast tonen. Op glossy papier staat samengevat wat wij allang weten: het is een competente, en misschien toch overbodige bestandsopname. Die is bovendien gelardeerd met persoonlijke verhalen: interessant, maar niet relevant – behalve omdat zo’n aanpak tegenwoordig bij een ‘glossy’ hoort, omdat men de ‘human touch’ wil tonen. Maar wetenschapsnotities zijn geen tv-programma’s. Getuigt het document van visie? Neen, niet echt. Het vraagt vooral om meer geld. Gebeurt het ooit anders? Het vraagt daarmee om iets dat er niet zal komen – en er ook niet gekomen zou zijn als we het afgelopen jaar niet in een economisch-financiële crisis waren getuimeld. Het is tragisch maar waar: Nederland (dwz de kiezers, de politiek, de beleidsmakers) heeft voor de geesteswetenschappen al vele jaren niet veel meer geld over dan die wetenschappen nu krijgen – en dat is in veel landen om ons heen niet zoveel beter.>
Zelfs als er meer geld zou komen (of als er niet nog meer bezuinigd wordt op Plasterks budgetten), hadden wij, geesteswetenschappers, er weinig aan. Immers, de onderzoeksorganisatie(s) die het meeste geld verdelen – gedirigeerd door mensen buiten het onderzoek, die (mede dientengevolge) vaak buitenwetenschappelijke modes volgen – hebben weinig of geen belang bij een zodanige verandering in de verdelingsorganisatie dat die – wat de omvang van het verdeelbare bedrag ook zij – een verbetering van de inhoud oplevert. Laten we twee centrale uitgangspunten – heilige koeien van ‘modern’ wetenschapsbeleid – als kwalijk en fnuikend kwalificeren. Ten eerste dat grote onderzoeksprojecten per definitie goede, ja zelfs betere projecten zijn. Quod non, voor de geesteswetenschappen. Waar ze nodig zijn, vanuit de onderzoeksvraagstelling, komen ze er ook zonder overheidsdwang. Geesteswetenschappers zijn, in de ‘moderne’ 21e eeuw, niet dom. Ten tweede dat de geesteswetenschappen gediend zijn met alsmaar grotere, Haagse commissies die eisen dat ze vooraf weten wat er uit het onderzoek moet komen, omdat ze anders geen geld geven. Elke onderzoeker weet dat dit een onwerkbare situatie is.

Kunnen we zaken anders inrichten? Jazeker. De overheid besluit het geesteswetenschappelijk onderzoeksgeld (de omvang ervan bepaalt de samenleving, de politiek) weer weg te halen bij NWO c.a., en geeft het terug aan de universiteiten, in de jaarlijkse lumpsum. Dat geld versleutelen de universiteiten in de aanstelling van docent-onderzoekers – we willen toch docenten die vanuit hun onderzoek ‘cutting edge’ inzichten aan de studenten presenteren? Zelfs nu, onder belabberde omstandigheden, presteren (o.a.: publiceren) die vast-aangestelde onderzoekers door de bank genomen behoorlijk tot zeer goed, inhoudelijk en kwantitatief. Wat de Nederlandse samenleving – i.c. de politiek – natuurlijk moet willen is, dat de gelden voor academisch onderwijs in de geesteswetenschappen niet alsmaar minder worden, zodat essentiële disciplines verdwijnen, en in bepaalde vakken de staf-student ratio onwerkbaar slecht is. Wat de samenleving (dus) ook moet willen is, dat de (universitaire) behoefte aan gekwalificeerde docent-onderzoekers – het aantal ‘pure’ onderzoekers dat daarbuiten emplooi heeft, is klein – niet wordt geschaad doordat er te weinig aanwas is. Daarom moet de overheid aan de universiteiten – of, beter, aan de disciplinegebieden binnen de geesteswetenschappen binnen universiteiten – ook een bedrag geven voor de opleiding van nieuwe onderzoekers: aio’s, post-docs.
Moet dat bedrag ‘hoog’/hoger zijn? Niet per se. De tragiek van (de huidige financiering van) die onderzoekers is minstens tweeledig. We stellen veel jonge mensen tijdelijk aan, maar hun rendement – minstens in afgeronde geesteswetenschappelijke promoties – is bedroevend laag. Ligt dat aan slechte begeleiding, zoals te vaak gesuggereerd – met o.a. als gevolg dat voor die begeleiding nu op facultaire niveaus extra bureaucratische stappen zijn ingebouwd, die de jonge onderzoekers vooral van hun werk houden? Zelden of nooit. Het ligt in elk geval mede aan verkeerde verwachtingen bij veel jonge onderzoekers. Voor een deel is de Nederlandse samenleving daaraan zelf schuld. Immers, tweede probleem: degenen die de eindstreep halen – gepromoveerd, ge-post-doctoreerd – kunnen voor minder dan 50 procent een aanstelling krijgen aan de universiteit, of aan een andere instelling voor wetenschappelijk werk. Kortom, wij veroorloven ons, als samenleving, om veel mensen zeer hoog te kwalificeren, en met hen vervolgens toch weinig tot niets te doen. Gevolg: frustraties, en: geldverspilling/kapitaalvernietiging.
>
Gaat de overheid met dit voorstel akkoord – al is het maar omdat het (ook) een besparing is? Neen. Zo’n verandering maakt de centrale onderzoeksbureaucratieën voor de geesteswetenschappen goeddeels overbodig. Bureaucratieën zoeken nooit oplossingen die henzelf elimineren, al wordt aangetoond dat dezelfde doelen met minder geld – lees: dure ambtenaren, tijdrovende en dus kostbare commissies – bereikt kunnen worden. Integendeel, bureaucratieën creëren meer bureaucratie. De regelzucht van Den Haag maakt op universitair en facultair niveau (dure) regelzuchtige ambtenaren onvermijdelijk – dat wil niet zeggen: nodig. De kosten daarvoor gaan intussen eveneens in mindering op het geesteswetenschappelijk budget, nationaal en in Nijmegen.
>
Een debat over de Nijmeegse geesteswetenschappen. Praten we over onderzoek, of ook over onderwijs? Bij slinkende middelen zullen we zaken onder ogen moeten zien. Wij moeten ons beraden over de uitgangspunten van nieuw-gestructureerd onderwijs, over de essentie(s) van de geesteswetenschappelijke cultuur die wij willen doorgeven. Er is, meen ik, op dit moment in het geesteswetenschappelijk onderwijs overlap, en ook thematische verkokering. Als we eens ‘out of the box’ denken, kunnen we vanuit nieuwe perspectieven in nieuwe vormen – al dan niet binnen een (bestuurlijke, beheersmatige, organisatorische….) fusie – even goed, of beter onderwijs verzorgen. Misschien leidt dat tot enige jaren pijn – niet (alleen) van gerealloceerde of afvloeiende ambtenaren, maar van gerealloceerde of afvloeiende docent-onderzoekers. Maar mensen zijn er, in onze branche, om de cultuur te dienen, niet omgekeerd.

Wat voor geesteswetenschappelijk onderwijs? Minder geld, slechter – meer geld, beter? Dat is natuurlijk geen automatisme. VOX publiceerde een verslag over een bezoekje aan Columbia University. Twee dingen vallen op. Grootschalige lippendienst, daar op die indrukwekkende campus, aan het geesteswetenschappelijk ideaal – maar dat ene, in de reportage niet uitgewerkte stukje, over het werkcollege, geeft nu juist ‘des Pudels Kern’ aan: duidelijk blijkt immers de toch niet meer dan (plicht-)matige interesse van een aantal deelnemers. Ook mijn ervaring is: studenten en docenten zijn ‘daar’ niet beter of gemotiveerder dan ‘hier’, ondanks enorme financiële verschillen. Waarom lijkt dat dan toch zo? Dat begrijpt eenieder die tussen de regels van het artikel leest, of Amerika kent: Amerikaanse studenten, tussen lui en ijverig, middelmatig en begaafd, scheppen van zichzelf hoe dan ook een sociaal-cultureel wenselijk, publiek imago dat verwijst naar de eigen excellentie en die van de instelling waar zij studeren, omdat je toch altijd positief moet lijken, want dat straalt op jezelf af – en ben je niet ‘positief’ dan krijg je niet de aanbevelingsbrieven van docenten die, meer nog dan het universitair diploma, voor elke loopbaan zo essentieel zijn. In Nederland klagen studenten eerder, en schijnt de situatie dus veel minder rooskleurig. Het zou interessant zijn eens te experimenteren: hadden wij veel meer een ‘aanbevelingscultuur’ (let wel: ik ben er allerminst voorstander van!), dan zou de houding van studenten zeker ook anders zijn. Hoe dat ook zij, onze discussie moet niet uitgaan van situaties die volstrekt onvergelijkbaar zijn, maar van afwegingen die Nederlandse realiteiten koppelen aan Nederlandse wensen. Daar is veel over te zeggen.
>
Uitdagend onderwijs geven de meeste Nijmeegse docent-onderzoekers. Overigens moeten zij, op beide fronten, geëvalueerd worden, zij het niet jaarlijks, dan toch regelmatig, en waar nodig met consequenties – ook als die pijnlijk zijn. Maar de volledige realisering van dat uitdagende onderwijs eist, realistisch bezien, een veel strikter afgedwongen ”hard werken” door studenten, om te beginnen in de BA. Voor al te velen, ook in de geesteswetenschappen – juist in de geesteswetenschappen? – zijn baantjes en andere activiteiten excuses om van alles te laat of te makkelijk te doen. Dus: frustraties in (werk-)colleges, bij deelnemers die wel hard werken. Dus: docenten die, gegeven hun inzet, terecht geïrriteerd raken. Dus: vertraging bij studenten. Dus: alom rendementsverlies. Omgekeerd geldt: als je met ’20 uur in de week’ de BA Geschiedenis kunt halen – een willekeurig voorbeeld -, is er iets mis met het programma. Pervers: wij mogen niet meer vakken introduceren: dan belasten we de studenten te zeer. Pervers: als we meer vakken introduceren, krijgen we er geen docentgeld voor. Maar hard werken – van docenten en studenten – is niet de enige basisvoorwaarde voor een goed (nieuw) programma. Laten we eerlijkheidshalve ook het volgende toegeven.
Nu we enige jaren ervaring hebben met de BA-MA-structuur, blijkt dat – althans: in mijn optiek, en die van collegae met wie ik vaker praat – teveel BA-studenten doorstromen naar de MA die het curriculum toch intellectueel niet aankunnen. Ook die situatie leidt, over de hele linie, tot: verarming van de inhoud – hetgeen de MA-studenten schaadt die hard en enthousiast doorstromen; tot vertraging bij studenten; en, op complexe wijze, tot rendementsverlies. Is daaraan wat te doen? Jazeker. Maar daarvoor is heel veel bestuurlijke durf nodig, bijvoorbeeld in de vorm van instroombeperkingen – al kost dat de universiteit geld…
En de studenten die naar de ResMA gaan? Wel, die zijn, door de bank genomen, een grote vreugde – zeker voor de docent(en). Totdat die docenten zich realiseren dat zij getalenteerde jongelieden in wezen een fata morgana binnen leiden: die waarin een wetenschappelijke toekomst nabij lijkt. De werkelijkheid is dan hard: per 10 ResMA-geslaagden zal er wellicht per jaar 1 de felbegeerde aio-plaats krijgen. En daarmee is de Nederlands-Nijmeegse cirkel onderwijs-onderzoek weer rond – in de volle maat van zijn huidige tragiek.

Visies hebben wij dus nodig. Onder de brede hoed van minister Plasterk gaat vast veel om. Dat er ook slimme plannen worden uitgebroed voor een betere organisatie, met betere resultaten – bij gelijkblijvende of slinkende middelen – blijkt tot op heden niet. Alle problemen maar weer doorverwijzen naar nationale commissies biedt slechts een enkele zekerheid: geen bevredigend resultaat. Mede daarom wens ik de Nijmeegse commissie veel realiteitszin, durf en creativiteit toe.