De toekomst van geesteswetenschappen in Nijmegen
Waarheen, waarvoor?
door Paul Bakker, hoogleraar filosofie
De geest is uit de fles. Wat begon als een onschuldige zin in het concept strategisch plan, heeft zich in korte tijd ontwikkeld tot een bijna clandestien rumoer dat de wandelgangen van het Erasmusgebouw in zijn greep houdt: wat is de toekomst van de geesteswetenschappen aan de Radboud Universiteit? Tot dusver hebben vooral bestuurders zich in deze discussie laten horen. Zo lieten twee decanen weten dat ze tegengestelde opvattingen hebben over de wenselijkheid van een Faculteit der Geesteswetenschappen en meldde onze collegevoorzitter dat de resultaten van een verkenning omtrent zo’n faculteit wel erg lang op zich laten wachten. Behalve deze interventies uit bestuurlijke hoek vindt er opvallend weinig openbare en argumentatieve discussie plaats onder de betrokken wetenschappers zelf. Hoe zien wij, geesteswetenschappers van de Radboud Universiteit, onze eigen toekomst? Volkomen terecht riepen in de vorige aflevering van de Vox onze studenten, bij monde van Anco Peeters (lid studentenraad voor Akkuraatd), ons op om zo’n discussie nu eindelijk te gaan voeren. Aan deze oproep geef ik hier gehoor.
De discussie over de toekomst van de geesteswetenschappen heeft als belangrijkste doel een antwoord te geven op de uitdagingen die geformuleerd zijn in het rapport Duurzame Geesteswetenschappen van de commissie Nationaal Plan Toekomst Geesteswetenschappen (in de volksmond: de commissie Cohen). In dit rapport wordt een grondige (volgens mij adequate) analyse gegeven van ‘het karakter en de reikwijdte van de geesteswetenschappen’ en van ‘de stand van zaken van de geesteswetenschappen in Nederland’. Tegen die achtergrond wordt een ‘Nationaal Plan Toekomst van de Geesteswetenschappen’ gepresenteerd (met daaraan gekoppeld een aantal financiële toezeggingen). De commissie oordeelt dat de bloei van de geesteswetenschappen in Nederland onder spanning staat. Deze spanning wordt vanzelfsprekend veroorzaakt door geldgebrek, maar ook door een gebrek aan strategische keuzes van de geesteswetenschappelijke sector zelf.
En daar ligt de uitdaging. Het rapport nodigt ons uit de taken en de functies van ons onderzoek en onderwijs duidelijk te formuleren. Welke rol willen wij spelen binnen de RU? Wat is onze inbreng in het maatschappelijke (politieke, culturele, religieuze) debat? Welke plichten en kansen hebben wij ten aanzien van het voortgezet onderwijs? Wat kunnen wij betekenen voor de ontsluiting van ons culturele erfgoed? Het is goed denkbaar dat de verschillende geesteswetenschappelijke disciplines uiteenlopende antwoorden geven op deze vragen. Filosofen en religiewetenschappers hebben waarschijnlijk een grotere bijdrage te leveren aan de discussie over de vrijheid van meningsuiting dan kunsthistorici en literatuurwetenschappers, die op hun beurt in een betere positie zijn om ons artistieke erfgoed te ontsluiten. Het rapport Duurzame Geesteswetenschappen geeft ons een lijst van onderwerpen waarover we gezamenlijk een (mogelijkerwijs gedifferentieerde) positie moeten bepalen. Dat is een interessante en belangrijke opdracht die veel positieve energie heeft losgemaakt.
Wat moet er aan de RU nu wel gebeuren met het rapport Duurzame Geesteswetenschappen en wat moet er niet gebeuren?
Wat moet er wel gebeuren? Wij geesteswetenschappers moeten vanuit onze eigen disciplines (filosofie, geschiedenis, taalwetenschap, et cetera), maar wel in gezamenlijkheid onze positie bepalen ten aanzien van de onderwerpen die in het rapport aan de orde komen. Dit moet leiden tot een document dat in klare taal omschrijft welke positie de geesteswetenschappen aan de RU willen gaan innemen en welke rol zij willen gaan spelen. Uitgangspunt daarbij zou het bestaande onderwijs en onderzoek moeten zijn (dat door de auteurs van het rapport als hoogstaand wordt gewaardeerd) en de rijke geesteswetenschappelijke traditie die de RU heeft. Op grond van deze traditie mag je verwachten dat de geesteswetenschappen een spilfunctie zullen gaan vervullen en een belangrijke rol zullen gaan spelen bij het uitdragen van de missie en de visie van de RU. Om tot zo’n gezamenlijke positiebepaling te kunnen komen, zouden wij geesteswetenschappers de gelegenheid moeten krijgen om met elkaar en met onze studenten in discussie te gaan. Zo’n gelegenheid zal niemand voorbij laten gaan.
Wat moet er niet gebeuren? Het rapport Duurzame Geesteswetenschappen moet niet van meet af aan bestuurlijk worden vertaald als een pleidooi voor een Faculteit der Geesteswetenschappen. Daar gaat het rapport namelijk helemaal niet over! Sterker nog, door op voorhand dergelijke beslissingen van organisatorische aard te nemen, wordt datgene waar het rapport om vraagt gefrustreerd. Het kan natuurlijk zijn dat de discussie die wij geesteswetenschappers gaan voeren uiteindelijk zal leiden tot de conclusie dat de geesteswetenschappen in Nijmegen het best zullen floreren in een grote faculteit. Dat is niet uitgesloten. Maar op die conclusie moet, omwille van het rapport Duurzame Geesteswetenschappen, niet worden vooruitgelopen. Eerst moet worden gewerkt aan een gezamenlijke visie op wat Nijmeegs geesteswetenschappelijk onderwijs en onderzoek zou moeten zijn. Vanzelfsprekend mogen onze bestuurders verwachten dat zo’n discussie binnen een redelijke termijn tot concrete resultaten zal leiden. Laten we daarover vooral heldere afspraken maken. Maar anderzijds hoeven we de druk niet onnodig op te voeren. De gelden die de commissie Cohen in het vooruitzicht stelt laten toch nog wel even op zich wachten.
In de tussentijd kunnen we het best de raad van onze eigen eredoctor Cohen ter harte nemen: ‘Zulke toekomstplannen zou elk van de geesteswetenschappelijke faculteiten zélf moeten ontwerpen, en de Colleges van Bestuur zouden zich er met woord en daad achter moeten stellen’.
Precies, en wel in die volgorde.