De aangekondigde reorganisatie bij Bedrijfswetenschappen brengt in de wandelgangen het nodige rumoer tot stand. ‘De onrust duurt nu al meer dan een jaar. Ook mensen die je liever niet ziet vertrekken, gaan nu weg’, zegt Nol Vermeulen van het Onderwijscentrum van de faculteit Managementwetenschappen. ‘Het onderwijs is bijproduct geworden.’

De reorganisatie is nodig omdat de opleiding te weinig geld in het laatje brengt, vanwege korting op de onderwijsmiddelen. Zo’n tien personeelsleden moeten uitkijken naar een andere baan, waarbij gedwongen ontslag niet wordt uitgesloten. Wel neemt de faculteit er een paar jaar de tijd voor, zodat iedereen die wil meewerken naar een volgende werkkring kan worden geholpen.

Vanwege de reorganisatie worden alle stafleden nog eens langs de meetlat gelegd, nodig om de keuze te kunnen maken wie wel, en wie niet in aanmerking komt voor vertrek. Voor wie het onderwijs een warm hart toedraagt, baart de meetlat wat zorgen: er wordt vooral gekeken naar wetenschappelijke deskundigheid en publicaties. En wie niet gepromoveerd is, heeft een lastig verhaal.

Nol Vermeulen ziet de reorganisatie met lede ogen aan. Al een aantal talentvolle mensen in het onderwijs is vertrokken. ‘De onrust duurt al meer dan een jaar. Zij kiezen het zekere voor het onzekere.’ De opleiding, met overigens weer een stijgend aantal eerstejaars (nu iets meer dan 200) kan de verplichtingen nog met moeite waarmaken, weet Vermeulen. ‘Het is vooral de vraag of we de beloofde kleinschaligheid in de masters kunnen blijven realiseren. Nu al zijn er een paar werkgroepen afgezegd.’ De nu door de faculteit gehanteerde meetlat noemt Vermeulen te eenzijdig. ‘De reorganisatie is dodelijk voor het onderwijs.’

Janneke van Campenhout heeft de afgelopen drie jaar in de opleidingscommissie dicht bij het vuur gezeten, en stelt vast dat de opleiding ‘in een lastige spagaat zit’. ‘Aan de ene kant blijft het bestuur erop hameren dat de kwaliteit van onderwijs is gewaarborgd, en zelfs nog zal verbeteren, maar aan de andere kant krimpt de formatie. Het blijft onduidelijk wat hiervan de gevolgen zijn voor het onderwijs.’