Als kinderen voor hun dertiende al aan de drank gaan, worden omgevingsfactoren (foute vrienden en de drankenkast van pa en ma) al snel gezien als de grote boosdoeners. Fout, zegt onderzoekster Eveline Poelen. Door het drinkgedrag van duizenden tweelingen te onderzoeken ontdekte ze dat onze genen bepalen hoe vroeg we met borrelen beginnen.
Het interview in het kantoor van gezondheidswetenschapper Eveline Poelen wordt onderbroken door de telefoon. BNR Nieuwsradio aan de lijn. ‘Sorry’, zegt ze als ze even later weer ophangt. ‘Sinds het persbericht gisteren verspreid werd, staat de lijn roodgloeiend.’ Een verrassing is dat niet. Ook eerder onderzoek van de RU over de oorzaken van alcoholverslaving veroverde met de gemak de voorpagina’s. ‘Er is een onmiskenbare maatschappelijke vraag naar dit soort onderzoek’, verklaart Eveline Poelen. ‘Dat heeft te maken met de aandacht voor verschijnselen als comazuipen en breezersletjes. Daardoor realiseert Nederland zich dat alcohol een groter probleem is dan we dachten.’
Poelen, die volgende week woensdag promoveert, geeft dat onderzoek een belangrijke nieuwe impuls, door voor het eerst aan te tonen dat iemand een genetische ‘aanleg’ kan hebben om vroeg met drank te beginnen. En dat deze factor sterker is dan de omgevingsinvloed. Voor haar onderzoek legde ze duizenden tweelingen een vragenlijst voor. Door gegevens van eeneiige tweelingen te vergelijken met die van tweeeiige tweelingen (van gelijk geslacht), kon ze goed onderbouwde conclusies trekken over de genetische invloed op drinkgedrag. ‘Wanneer ze voor hun dertiende al beginnen met drinken blijken eeneiige tweelingen dat vaker allebei te doen, dan twee-eiige tweelingen. Aangezien voor beide groepen de omgevingsfactoren gelijk zijn, moet de genetische overeenkomst een rol spelen.’
Van een ‘alcoholgen’ waarover sommige media al reppen, wil Poelen niet horen. ‘Dat is een grove versimpeling van mijn onderzoek. Onze genen zijn veel te complex om aan één gen een specifieke handeling toe te wijzen. Het gaat ook niet alleen om alcoholgebruik. Jongeren die vroeg aan de alcohol gaan, zullen waarschijnlijk ook op andere terreinen eerder de grenzen opzoeken. Maar dat valt buiten mijn onderzoek.’
Spelen ‘foute’ vrienden dan geen enkele rol? ‘Natuurlijk wel’, zegt Poelen. ‘Wanneer je eenmaal drinkt dan bepalen die omgevingsfactoren hoe veel en hoe vaak je drinkt.’ Poelen waarschuwt voor ongebreideld fatalisme naar aanleiding van haar bevindingen. ‘Je kunt niet zeggen: ik kan er niets aan doen, het zit in de genen. Mijn onderzoek wijst ook uit dat vooral de ouders een belangrijk rolmodel zijn die door veelvuldig of juist matig alcoholgebruik een grote invloed hebben op hun kinderen. Ook wanneer die genetisch gevoeliger zijn voor alcohol. Je kunt het vergelijken met overgewicht: de een is er gevoeliger voor dan de ander, maar niemand hoèft per se te dik te worden.’