Het DNA is niet ontdekt door Watson en Crick, maar door een dove arts in een keuken van een Duits kasteel. Tachtig jaar voordat het befaamde duo het DNA ontrafelde. Dat zegt emeritus hoogleraar biochemie Peter Bloemers in zijn boek Schat uit de keuken van een Duits kasteel. Bloemers brengt in zijn boek de geschiedenis van de ideeën over het erfelijk materiaal in beeld.
De Zwitserse arts en DNA-ontdekker heette Friedrich Miescher. Hij werkte in het kasteel dat Wilhelm I, koning van Württemberg, aan de Universiteit van Tübingen had geschonken. De universiteit richtte een kleine twee eeuwen geleden in de keuken van dat kasteel een laboratorium in: het allereerste biochemische lab ter wereld.
In dat lab ontwikkelde Miescher in 1869 een methode om celkernen uit witte bloedlichaampjes te isoleren en te analyseren. Hij haalde een stof uit de celkern die hij nucleïne noemde (nucleus betekent celkern). Bloemers: ‘Dat bleek DNA te zijn. En er zijn goede aanwijzingen dat hij ook doorhad dat het iets met erfelijkheid te maken had.’
Miescher was zijn tijd te ver vooruit. Dat is waarschijnlijk ook de reden dat de Zwitser niet zo beroemd werd als Watson en Crick. ‘In het begin van de twintigste eeuw was er niet veel belangstelling voor zijn werk, omdat men DNA toen niet zag als drager van erfelijke eigenschappen. Men dacht dat de erfelijkheid in eiwitten zat.’
In 1953 presenteerde Watson en Crick hun dubbele helix. Weer twintig jaar later komt de DNA technologie tot ontwikkeling en pas vanaf die tijd werd DNA bekend bij het grote publiek. Het boek van Bloemers volgt die nieuwe ontwikkelingen tot 2007.
Gisterenmiddag werd Schat uit de keuken van een Duits kasteel in het Huygensgebouw aangeboden aan oud-rector en bioloog Kees Blom.