De meeste opleidingscommissies zijn ‘onbekend en nauwelijks bereikbaar’, zo stelt de LSVb in een reactie op minister Plasterk. Die vindt dat studenten zich te vaak in de media beklagen, terwijl ze zich tot hun eigen vertegenwoordigers bij de opleiding zouden moeten wenden. ‘Onmogelijk’, meent de LSVb. ‘Zelfs secretariaten weten vaak niet eens wat een opleidingscommissie is.’
De studentenvakbond baseert zijn uitspraken op eigen onderzoek naar de bereikbaarheid van opleidingscommissies. Daaruit blijkt dat 70 procent van de opleidingssecretariaten onbekend is met het fenomeen opleidingscommissie. De dienstdoende secretaresse weet in 85 procent van de gevallen niet naar wie ze moet doorverwijzen. Bovendien zijn de adressen van de commissies in 70 procent van de gevallen onbekend en onvindbaar. Alleen de Universiteit Utrecht (UU) vormt een uitzondering: als enige instelling zijn daar opleidingscommissies bekend en zowel op de website als in werkelijkheid te vinden.
Maar waarom is het eigenlijk zo’n kwalijke zaak dat de opleidingscommissies ongebruikt blijven? ‘Het is de eerste schakel tussen studenten en hun opleiding’, legt Floris Hanner uit, de 23-jarige vice-voorzitter van de Nijmeegse studentenvakbond AKKU. ‘Ik heb het idee dat er vaak onnodige vijandigheid tussen docenten en studenten door de commissies ontstaat, terwijl ze de opleiding juist samen kunnen verbeteren. Misschien moet er aan de sfeer gewerkt worden.’
De Radboud Universiteit is niet in het onderzoek meegenomen. Toch heeft ook Nijmegen met het probleem te kampen. ‘Ook hier zijn studenten er vaak niet van op de hoogte dat er zoiets als een opleidingscommissie bestaat’, gaat Hanner verder, ‘terwijl het een sterk orgaan is met wettelijk bestaansrecht. Gelukkig heeft het College van Bestuur al laten weten zich er ook over zorgen te maken en het probleem aan te willen pakken.’
Volgens de LSVb kunnen simpele maatregelen al tot verbetering leiden. Zo zouden alle opleidingscommissies een eigen post- en mailadres moeten hebben, die op een ‘direct vindbare website’ komen te staan en centraal in de instelling bekend zijn. Voorts moeten ze worden ondersteund door een kundige coördinator met een adviserende rol en moet de opleiding het bestaan en het doel van de commissie bekend maken bij alle studenten. Dat die suggesties niet uitzonderlijk vernieuwend zijn, vindt Hanner geen probleem: ‘Het is in ieder geval een begin.’