De luxe van een OV-jaarkaart komt voor veel eerstejaars te laat. Voor tienduizenden eerstejaars zelfs, als je de Telegraaf moet geloven. Het gratis openbaar vervoer gaat voor nieuwe studenten pas op 1 september in, terwijl velen al voor die tijd moeten reizen voor colleges of introductie. Volgens de krant van wakker Nederland voert de LSVb een verbeten strijd om de ingangsdatum te vervroegen. Maar dat blijkt mee te vallen: ‘We vinden het een belangrijk probleem, maar er zijn belangrijkere problemen. De Telegraaf overdrijft.’
Sinds de verschijning van het artikel in de Telegraaf heeft de Landelijke Studentenvakbond (LSVb) ruim tien klachten ontvangen, met name van ouders van studenten. En dat is wel een erg scherp contrast met de zogenaamde tienduizenden gedupeerden. Bestuurslid Lisa Westerveld: ‘Eerstejaars accepteren die paar weken overbruggingstijd. Ze zijn al lang blij dat ze een OV-jaarkaart krijgen. Bovendien heb ik sterke twijfels bij “tienduizenden”: hoe weet de Telegraaf dat? Je moet je oordeel wel ergens op baseren.’ De LSVb gaat geen compensatie eisen van de instellingen of de overheid. Lisa: ‘Compensatie zou netjes zijn, maar we gaan geen keiharde actie ondernemen. We vinden het een belangrijk probleem, maar er zijn belangrijkere problemen.’ Het zou bovendien geen probleem zijn als de overheid eindelijk de kamernood eens oploste, zegt Lisa. Wie een kamer heeft in zijn of haar studiestad, hoeft immers ook niet te reizen.
Een veel grotere doorn in het LSVb-oog zijn de eerstejaars die nog geen achttien zijn en daarom geen studiefinanciering krijgen – de ouders ontvangen dan namelijk nog kinderbijslag. En zonder studiefinanciering geen OV-jaarkaart. Lisa: ‘De overheid doet er niets mee: er zou geen geld voor zijn en de groep getroffenen is te klein. Erg jammer.’ Ook strijdt de studentenvakbond voor een verruiming van het OV. Nu is een week-OV namelijk niet geldig in de vakantieperiode. Onterecht, vindt Lisa. ‘In de zomer hebben studenten soms ook tentamens, of moeten ze studeren op de universiteit. Dat zullen we zeker nog aankaarten bij het ministerie.’