Wie zijn ‘beter’? De vrouwen zijn in de strijd tussen de seksen in de wetenschap in ieder geval bezig met een inhaalslag. In vijftien jaar is het aantal vrouwen dat promoveert aan een universiteit maar liefst verdrievoudigd. Dat heeft waarschijnlijk te maken met de andere rush die vrouwen in de wetenschap meemaken. Uit recente cijfers van de vereniging van universiteiten (VSNU) blijkt namelijk dat onder de studenten vrouwen zowel sneller als succesvoller zijn in hun studie. Toch zijn ze er nog lang niet: verderop in de wetenschappelijke carrière blijft het een ‘mannenfeestje’.

In 1990 promoveerden nog slechts 339 vrouwen aan een universiteit, in 2006 was dat aantal gegroeid naar 1157. Voor mannen waren dat er respectievelijk 1159 en 1836. Dat blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Nynke de Haas, zelf promovenda en sinds één dag voorzitter-af van Promovendi Overleg Nijmegen (PON), juicht de stijging uiteraard toe. ‘Prima dat vrouwen bezig zijn met een inhaalslag. Ik denk dat het komt omdat studentes het over het algemeen vaak beter doen. Als je goed kan studeren, is dat een goede basis om te promoveren.’

De meisjes doen het inderdaad beter dan de jongens in hun studie, zo blijkt uit recente cijfers van het VSNU. Na vier jaar heeft 57,1 procent van de vrouwelijke studenten een bachelordiploma, tegen 22,4 procent van de mannen. Bovendien staan er meer vrouwen dan mannen ingeschreven bij een universitaire studie, en behalen meer vrouwen een diploma dan mannen. Mannen blijken ook nog eens vaker af te haken, vooral in het eerste jaar.

De wetenschappelijke inhaalslag stokt echter halverwege de wetenschappelijke carrière. De Haas: ‘Het aantal promovendi onder mannen en vrouwen is nu bijna gelijk. Maar verderop op de wetenschappelijke carrièreladder lijkt er een glazen plafond te bestaan.’ In Nijmegen was 42,6 procent van de Nijmeegse promovendi in 2002 vrouw, in 2006 is dit al 47,8 procent. Inderdaad bijna fifty-fifty dus. Dit is geheel niet het geval in de hogere functies: slechts 13 procent van de Nijmeegse hoogleraren is vrouwelijk, en 26 procent van de universitair docenten. De Haas: ‘Ik weet niet precies waarom de verdeling zo ongelijk is. Misschien komt het omdat degenen die de nieuwe hoogleraren benoemen, overwegend mannen zijn. Dan willen ze misschien vooral ‘hun eigen soort’ kiezen. Ik denk ook dat vrouwen vaker aan hun eigen kunnen twijfelen, en minder bereid zijn hun gezinsleven aan de kant te schuiven voor de wetenschap.’