Sofie overweegt een carrière als vuilnisvrouw. ’s Avonds tijdens het stappen versiert ze een jongen en blijft daar slapen.
Vandaag aflevering 52: ‘Morning after disaster

Je kent vast wel die coke zerocommercial waarbij mannen massaal de straten van een metropool doorstruinen, à la Cruijff roepend dat elk voordeel (bra’s) z’n nadeel (fumbling) heeft. Een complementair paar dat niet wordt genoemd zijn hot dates en mornings after. De ochtend na een hete nacht word je niet wakker naast dat lekkere stuk dat jij versierd dacht te hebben, maar naast een puisterig persoon met slecht haar en een indrukwekkend stinkende adem, die niet het fatsoen heeft direct na het ontwaken te vertrekken, omdat samen ontbijten zo “gezellig” is. Ik denk dat vuilnismanjongen zich ook zo voelt.

Na mijn charmante ‘goeiemorgen vuilnisman’ wijkt hij zichtbaar achteruit. ‘Góeiemórgen’, zegt ook hij, maar meer als uitroep van afgrijzen dan om mijn groet te beantwoorden. Ik sla mijn hand voor mijn mond en spring uit bed. Onder zijn screenende blik voel ik me heel erg naakt (wat ik goedbeschouwd ook ben) en probeer mijn niet helemaal bijgehouden bikinilijn en slordige benen (een tip: always be prepared!) te verbergen door op mijn knieën te vallen en mijn kleren bijeen te zoeken. ‘Heb je een handdoek? Dan kan ik even douchen.’ Hij gooit een handdoek vaag richting mijn hoofd, die ik (inmiddels een beetje humeurig over zijn botte gedrag) omsla, voor ik me met mijn bundeltje kleren richting badkamer haast.

Een blik in de spiegel slaat mijn zelfbeeld aan scherven; op mijn kin prijkt een verse puist, mijn mascara is uitgelopen en heeft zich vermengd met de gisteravond nog zo sensueel ogende rode lippenstift, en mijn haar.. oh god, laat ik zwijgen over mijn haar. Ik ben de vleesgeworden morning after disaster. En erger: getuige de kriebel in mijn buik als ik aan vannacht denk valt vuilnismanjongen me bij daglicht hélemáal niet tegen.

Enigszins gefatsoeneerd betreed ik in doorrookte outfit zijn kamer. Vuilnismanjongen zit achter zijn laptop te msn-en en reageert nauwelijks. ‘Zo’, zeg ik, terwijl ik op zijn bed plof. ‘Heb je een ontbijtje?’ Te overmoedig. Vuilnismanjongen fronst zijn perfect gewelfde voorhoofd: ‘Ik heb niet echt iets in huis.’ Ah, de pijn! Om zo afgepoeierd te worden als je normaal zelf de afpoeieraar bent (en met diezelfde woorden meermalen je eigen morning disasters je kamer uitbonjourde) is wreed, heel wreed. Ik onderdruk de neiging om dingen te zeggen als: ‘Normaal heb ik nooit puisten!’ of ‘Ik heb een prachtige venusheuvel als ‘ie goed is bijgewerkt’, maar besef tijdig dat dit mogelijk een averechts effect heeft. ‘Nou,’ zeg ik, met zoveel nonchalance als ik kan opbrengen, ‘dan ga ik maar eens, doewie.’ Doewie? Doewie? Kan de aarde opensplijten en mij ter plekke verzwelgen? Maar het enige dat opensplijt is mijn brein, dat bewerkt wordt door honderden venijnige hamertjes.