Met hand en tand verzetten studenten en medewerkers van FNWI zich tegen het plan om studenten te verplichten binnen twee jaar hun propedeuse te halen. Het faculteitsbestuur wil dat studenten die daar niet in slagen hun studiepunten inleveren. Op de overige faculteiten, met uitzondering van theologie, is zo’n regeling al jaren in gebruik.
‘Studiepunten moeten nooit vervallen’
De Studentenraad en Onderdeelcommissie stonden gisteren in de facultaire vergadering lijnrecht tegenover het faculteitsbestuur. Decaan Jan Kuijper: ‘Een studie is een contract tussen studenten en de universiteit. Studenten hebben recht op onderwijs, maar niet onbeperkt. In geval van nalatigheid moet de faculteit kunnen ingrijpen.’ Het faculteitsbestuur wil dat studenten het studieprogramma in de voorschreven volgorde afwerken. Yorick Bleijenberg van de Studenten Raad wijst juist op de eigen keuzevrijheid en eigen verantwoordelijkheid van de studenten. ‘Studiepunten zouden nooit moeten vervallen. Tenzij de inhoud van het vak verandert.’
‘Uitval van 25 procent te hoog’
Aanleiding voor de maatregel noemt Jan van Groenendael de hoge uitval onder studenten: ’Ongeveer 25 procent heeft zijn propedeuse niet binnen twee jaar. Dat zijn er te veel.’ Wanneer echter gekeken wordt naar de andere faculteiten, waar al langer sprake is van een zelfde soort maatregel blijkt de uitval ook rond de 25-30 procent te liggen. Anneke Matthijsen van het onderwijsinstituut maatschappijwetenschappen: ‘De faculteit sociologie streeft ernaar dat 75 procent van de studenten de propedeuse binnen twee jaar haalt. Het percentage dat het niet haalt schommelt rond de 20-25 procent.’ Sandor Schrijner, studieadviseur bij de faculteit managementwetenschappen: ‘Hier haalt gemiddeld rond de 20-30 procent de propedeuse niet binnen twee jaar. Voor een groot deel zijn dat mensen die al na een paar maanden overstappen.’
De studentenraad betwijfelt of de uitval bij de faculteit FNWI zorgelijk hoog is. Zij wijst daarbij op het feit dat de faculteit regelmatig laat weten trots te zijn op het bovengemiddelde rendement en de lage uitval van de Nijmeegse bètastudies, in vergelijking met andere bètafaculteiten.