Na een baalweek vol chocola treft Sofie tot overmaat van ramp haar gedumpte scharrel B. aan in haar kamer. Vandaag aflevering 9 van Sofies Soap: ‘Mannen in het algemeen’.
Pontificaal op mijn bed grijnst B. me te midden van de chocoladewikkels toe: ‘Je mag wel eens opruimen’. Hij kijkt de kamer rond. Ik volg zijn blik en bezie het slagveld. Overal chocoladewikkels, half opgegeten repen, vuile borden met chocopastaresten, lege pakken jus en vuile handdoeken en ondergoed. Het ruikt zurig. ‘B.’, begin ik poeslief (de ervaring leert dat schelden bij B. averechts werkt), ‘ik heb het toch uitgemaakt?’ Voor zover het ooit ‘aan’ kan zijn met een toy boy, denk ik bij mezelf. B. haalt zijn schouders op. ‘Ach, je was jezelf niet. Ik dacht, die moet ongesteld worden’. Hij graait drie Verkade-papiertjes bij elkaar en grijnst zijn eens zo aantrekkelijke, maar nu zo walgelijke grijns. ‘Vrouwen doen dan wel vaker rare dingen.’ ‘Juist!’ roep ik demonstratief. ‘En omdat ik nog steeds ongesteld ben doe ik nu ook iets raars, ik gooi je eruit. Ga weg B., ik hoef je niet meer te zien.’ Dat laatste zeg ik heel traag en duidelijk, zodat de boodschap zelfs tot in B.’s mierenhersentjes doordringt. ‘Ik begrijp het’, knikt hij. ‘Ik kom wel terug als je lastige dagen voorbij zijn’. Voor ik kan reageren loopt hij zacht neuriënd de deur uit. Hoe onuitstaanbaar!
Ik bel vriendinnetje L. op en beklaag me luid over mannen in het algemeen: all over you als je niks van ze wil weten en afwachtend als ze wel wil hebben. L. weet de perfecte remedie tegen mannen in het algemeen: shoppen. Met regelmatige pauzes voor kopjes chocomel. Gebukt onder de tassen vol absoluut noodzakelijke aankopen worstelen we ons door de volle Broerstraat. Terwijl ik me omdraai om de WE-etalage te bekijken voor meer onmisbare kledingstukken bots ik tegen een voorbijganger. ‘Sorry’, zeg ik, en wil juist de WE binnenlopen als ik de vriend van een oud schoolvriendinnetje herken. ‘Hoi R., wat toevallig, zeg!’ groet ik. ‘Hoe is het met H.?’ ‘Hoi Sofie, eh, goed hoor’, groet hij aarzelend terug. Ik zie nog net hoe hij zijn hand lostrekt van zijn begeleidster, een knap meisje met donkere krullen. Voor ik me aan haar kan voorstellen, zegt hij: ‘We hebben een beetje haast, spreek je snel weer’, en hij trekt haar mee achter zich aan. ‘Wie waren dat?’ vraagt L. ‘Iemands vriend, hand in hand met een meisje dat ik niet ken’, zeg ik, het tweetal fronsend nakijkend. ‘Niet mee bemoeien’, adviseert L. en ze duwt me de WE in. ‘Laat zijn vriendin het zelf uitzoeken.’
Ik geef die dag driehonderdeenentwintig euro uit aan een absoluut noodzakelijke nieuwe shirtjes, een spijkerbroek, een turkooisblauw kort nog-net-niet-winterjackje en vijf koppen chocolademelk met slagroom. Mannen in het algemeen kunnen me even gestolen worden.