Een groot probleem, zo wordt vergrijzing vaak omschreven. Want al die oudjes gaan straks een buitensporig groot beroep doen op de zorg. Dat beeld klopt niet, zegt Willibrord Hoefnagels, hoogleraar klinische geriatrie, vandaag in zijn afscheidscollege. Over pakweg dertig jaar zijn er weliswaar veel ouderen, maar de tachtigers zullen dan een stuk vitaler zijn dan de tachtigers van nu. Er is dan namelijk veel meer mogelijk qua preventie van ouderdomsziekten. En als ouderen ziek worden, zijn er meer mogelijkheden om medisch in te grijpen. ‘De generatie ouderen van de toekomst is niet meer de ouderengeneratie van nu’, zegt Hoefnagels.
Hoefnagels komt tot zijn conclusie na een enquête onder ruim dertig hoogleraren die werkzaam zijn in het UMC. Zij waren unaniem van mening dat de komende jaren veel winst valt te boeken door bijvoorbeeld verfijning van diagnostische technieken, verbeterde implantaten en genetisch gestuurde medicatie. Ook signaleren ze meer aandacht in de zorg voor de oudere patiënt en zijn kwaliteit van leven.
De keerzijde van de medische vooruitgang is het snel groeiende aantal zeer oude mensen, zogenaamde ‘survivors’. Mensen die dankzij de medische ingrepen ouder worden en in aanraking komen met ziekten waar ze anders niet mee te maken zouden krijgen. Zoals hartklachten, dementie en depressiviteit. Het is volgens Hoefnagels daarom nodig dat in de nabije toekomst meer artsen zich specialiseren in de ouderengeneeskunde.